Zoeken
  • Juf Angelique

Woordenschat met kleuters

Bijgewerkt op: 12 jun.

Werken aan de woordenschat staat in de kleutergroep centraal.

Door voorlezen en thema’s uit te diepen leren de kinderen veel nieuwe woorden.

Toch is het ook goed om doelgericht en bewust woorden aan te bieden.

In deze blog vertel ik je hoe je in de praktijk aan de woordenschat van kleuters kan werken.



Woordenschat


De woordenschat van een kind wordt bepaald op basis van het totaal aantal woorden dat het kind kent. De woorden die het kind gebruikt, vormen de actieve woordenschat.

De woorden die het kind wel begrijpt maar niet gebruikt, vormen de receptieve of passieve woordenschat. Alle kinderen komen met andere bagage in de kleuterklas, ook wat betreft de hoeveelheid woorden die ze kennen. De grootte van de woordenschat is van veel factoren afhankelijk: de thuissituatie, meertaligheid, eerdere VVE ondersteuning enz...

Kleuters uit taalrijke milieus kunnen een woordenschat hebben die vijf keer zo groot is als die van kleuters uit taalarme milieus. Dat komt voornamelijk doordat zij meer dan twee keer zoveel verschillende woorden per uur horen dan kinderen uit taalarme milieus.


Kinderen met een beperkte woordenschat ervaren als kleuter al dat interactie met andere kinderen lastig verloopt. Leg in de huishoek maar eens uit dat je graag wilt koken en dat de tafel moet worden gedekt, als je de woorden niet hebt. Ze voelen dat ze niet begrepen worden en begrijpen op hun beurt andere kinderen ook niet. Dit heeft direct invloed op de sociale en emotionele ontwikkeling.


Het is hoe dan ook goed om bij kleuters intensief in te zetten op woordenschat, omdat je hierin ook een basis legt voor de verdere schoolloopbaan.

Zo is begrijpend lezen veel pittiger, wanneer je woordenschat klein is. En dat heeft dan ook weer effect op de zaakvakken.

 

Beleefde woordenschat


Bij woordenschatontwikkeling moet het om beleefde taal gaan. En daar bedoel ik geen

nette, voorbeeldige taalgebruik mee, maar dat de kinderen de woorden beleefd, ervaren, gedaan moeten hebben. Als je bij kleuters iets wat kinderen graag doen, koppelt aan wat ze moeten leren, dan gaat de woordenschatontwikkeling vele malen sneller en beter dan wanneer het aanbod vanuit een methode wordt aangeboden!

Beleefde taalstimulering moet gecontroleerd plaatsvinden tijdens doe-activiteiten.

Plaatjes en bladen komen pas aan het einde.


Wat kleuters sowieso graag doen, is spelen. Dus als je spelvormen koppelt aan woordenschatstimulering, dan is er een beleefde woordenschatontwikkeling.

Belangrijk is welke begeleidingstechnieken je in de spelbegeleiding toepast.

Het is immers de bedoeling, om het kind tijdens dat spelen de woorden te laten verwerven.

Ik geef nu een opsomming van een tiental woordenschattechnieken.


Vijfminutenaanpak door de leerkracht Bij de vijfminutenaanpak ben je vijf minuten bij het kind en verbaliseert je wat het kind aan het doen is. Als je dat vijf minuten hebt gedaan, ga je weer op ronde door de klas. Na enige tijd kom je wéér bij het kind en verbaliseer je wéér vijf minuten. Het is aan te bevelen om dat per speelperiode minimaal twee keer te doen. Je kunt dit uiteraard ook binnen een bepaald groepje van maximaal vier kinderen doen.


Kijken naar anderen en verbaliseren door de leerkracht Je gaat met het kind bij een ander kind zitten. Samen kijk je naar wat dat andere kind doet en dát verbaliseer je. Je kunt ook samen met meerdere kinderen kijken naar een bepaald kind. Je vertelt wat het ene kind doet en de andere kinderen kijken en luisteren mee.


Verbaliseren en woord navragen door de leerkracht Je verbaliseert en vraagt regelmatig aan het kind: “Wat is dit?” Of (bijvoorbeeld): “Wat doet Suze?” (Woord navragen.)


Verbaliseren en gebeurtenissen navragen door de leerkracht Je verbaliseert wat het kind doet. Na afloop van de vijf minuten vraag je dan aan het kind wat het gedaan of gespeeld heeft. (“Wat heb je net gedaan?”)


Verbaliseren door het kind van wat anderen doen Je gaat met het kind bij een ander kind zitten. Het kind moet dan vertellen wat het andere kind doet. Als dat onvolledig is, moet je dat aanvullen. Je kunt dan spelen dat je jouw ogen dichtdoet en niets kunt zien. Het kind moet dan vertellen wat er te zien is.


Verbaliseren door het kind van wat het zélf doet Het kind moet tijdens het handelen vertellen wat het zélf aan het doen is.


Uitgetilde oefeningen Veel kinderen met taalontwikkelingsachterstanden hebben niet veel spontane ontwikkelingsmogelijkheden. Dat betekent, dat de verbaliseringstypen vaak gecombineerd moeten worden met inprentingsoefeningen. Dus na afloop van het verbaliseren oefen je nog even enkele dingen extra, in de vorm van nazegoefeningen. Je neemt een voorwerp. En je zegt: “Dit is een vork.” Daarna vraag je: “Dit is een …?” Essentieel bij deze aanpak is dat het beleefd (ervaren, gedaan) moet zijn.

Dat wil zeggen, dat het niet zomaar akoestisch nazeggen is, maar dat het moet gaan over iets dat aan te wijzen is, iets dat net gebeurd is of nú gebeurt. (“Ik ben nu aan het …”) Zomaar woorden nazeggen past niet binnen de aanpak van de beleefde taal.

Let er ook op, dat het kind goed gearticuleerd spreekt.

Soms betekent dit, dat je het kind het woord nóg een keer moet laten zeggen.


Expanderen Dat is het uitbreiden, uitbouwen van een uitlating van het kind, in de richting van een goede zin. Een kind zegt bijvoorbeeld: “Eten aap.” Jij reageert dan met: “Nu krijgt de aap te eten.”


Modelleren Dit gebeurt als we het kind een goed model aanbieden. Je zegt bijvoor­beeld: “De aap eet een banaan.” Daarna wijs je op een andere aap en vraagt: “Wat doet die aap?” Het kind antwoordt dan: “Die aap eet ook een banaan.”


Visualiseren De laatste fase van deze manier van begeleiden is, dat je afbeeldingen hebt van de woorden van de woordpakketkaart. Het is het mooist als je foto’s kunt maken van spelsituaties, handelingen of materialen, waar je vervolgens een prentenboekje van maakt.

Dat prentenboekje neem je mee in de laatste fase van de begeleiding. En je laat het kind dan over die foto’s praten. Op deze manier kun je tevens bepalen wat het leerresultaat is van jouw handelingsplannen. Want uiteindelijk moet de beleefde taal ook aan de hand van afbeeldingen op het platte vlak beheerst worden!

 

Een doelgericht aanbod


Woordenschatontwikkeling gebeurt vooral in interactie met elkaar. Daarnaast is een goed, doelgericht woordenschataanbod ook erg belangrijk.

Deze bied je in de volgende vijf stappen aan:


Stap 1: Woorden kiezen

Voordat je doelgericht woorden gaat aanbieden moet je eerst een keuze maken.

Om de woorden te laten aansluiten bij de belevingswereld, is het een goed idee om woorden te kiezen die bij het thema passen waar je op dat moment in de klas over werkt.

Start het thema met de basiswoorden en biedt daarbij de lidwoorden aan.

Bied niet alleen voorwerpen aan, maar ook gerelateerde werkwoorden, verkleinwoorden, meervoudsvormen en plaats-/positiebegrippen. Bedenk voordat je start aan een thema ook welke woorden je op welke dag/welke week je gaat aanbieden. Je kunt dan ook activiteiten op deze dag aanbieden waarbij deze woorden herhaald zullen worden.


Stap 2: De woorden doelgericht aanbieden

Na de woordkeuze is het belangrijk om doelgericht de woorden aan te gaan bieden.

Creëer hiervoor een rijke situatie waarin je nagaat wat de voorkennis van de kinderen is en waarin de woorden aangeboden kunnen worden.


Stap 3: Maak de betekenis duidelijk

Vervolgens is het belangrijk dat de leerkracht de betekenis van het woord duidelijk maakt.

Je kunt hier gebruik maken van de drie U's: uitbeelden, uitleggen en uitbreiden.

Hierdoor wordt de betekenis zichtbaar, toegelicht en wordt het netwerk van woorden gekoppeld. De woorden worden in deze fase geclusterd in grafische modellen aangeboden.


Stap 4: Inoefenen

Nadat je woorden expliciet hebt aangeboden is het net zo belangrijk om het woord goed in te oefenen. Na één keer aanbieden onthouden de kinderen het woord en de betekenis namelijk nog onvoldoende. Het is dan ook nodig om het woord en de betekenis ervan in te oefenen door verschillende activiteiten aan te bieden. Deze activiteiten kunnen op verschillende momenten verdeeld over de dag/week plaatsvinden.

Wanneer je meerdere keren op verschillende manieren in de week de woorden herhaalt, zal dit woord beter beklijven. Prentenboeken zijn hier bijvoorbeeld ook erg geschikt voor en ze zijn lekker laagdrempelig.


Stap 5: Controleren

Tenslotte controleer je of de leerlingen het woord en de betekenis kennen.

Daarbij zet je niet in op de passieve woordenschat, maar controleer je of de kinderen het woord actief beheersen. Doe dit bij voorkeur spelenderwijs en door te observeren en liever niet door het af te checken. Tijdens de activiteiten zie je al snel of een kind actief een woord gebruikt en of dat een kind het woord begrijpt.

 

Ondersteuning


Net zoals je ondersteuning biedt voor de taal- of rekenontwikkeling hebben sommige kinderen ook ondersteuning nodig op het gebied van woordenschat.

Maar hoe geef je de ondersteuning vorm? Deze kun je bijvoorbeeld vormgeven door de kinderen uit te nodigen in een kleine kring. Daarbij kies je in eerste instantie voor spellen waar de woordenschat passief toegepast kan worden, maar later kies je voor spellen waarbij die woorden actief gebruikt moeten worden. En vergeet daarnaast niet, dat begeleid spelen erg waardevol is om de woordenschat te stimuleren. Door het spel te leiden en taal toe te voegen aan het spel, kunnen de kinderen de woorden en taal eigen maken.


De thuissituatie is ook bepalend. Maak ouders daarom duidelijk hoe essentieel een grote woordenschat is en breng ze op ideeën om het een en ander te verbeteren.

Ouders kunnen met een kleine bijdrage al een grote bijdrage leveren aan de ontwikkeling van e woordenschat van hun kind. Geef ze bijv. de volgende tips:

  • Zorg voor veel interactie met je kind.

  • Spreek in volzinnen. Een zin als 'Wil je even je blauwe jas pakken die aan de kapstok in de gang hangt? ''heeft heel veel meer woordenschat in zich dan de zin 'Pak je jas!', ook al is de boodschap hetzelfde.

  • Wees niet terughoudend met moeilijke woorden.

  • Ook met een zesjarige kun je spreken over iets abstracts als het woord ‘inspiratie’. Misschien begrijpen ze het concept van het woord niet meteen of nog niet helemaal, maar ze kunnen er al wel mee oefenen. Hoe vaker ze zo’n woord horen in een betekenisvolle context, hoe sneller ze het oppakken.

  • Door voor te lezen komen kinderen met andere woorden in aanraking dan normaal.

  • Meertaligheid is geen belemmering, maar kan juist in het voordeel werken: de verschillende talen zorgen voor een breder woordbegrip.

Als ouders en school samenwerken aan de woordschat van kinderen, sluiten thuis en school op elkaar aan en creëren ouders en school samen een taalrijke omgeving

 

Op zoek naar meer?


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest

Heb je zelf ook nog leuke suggesties?

Inspireer dan collega’s door jouw ideeën in een reactie op deze blog te delen!




.

2.089 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven