site-verification=8adc2fc3d443365f5c3bc1b5d2d80d29
top of page
Zoeken
  • Foto van schrijverJuf Angelique

Woordenschat en woordvinding

Werken aan de woordenschat staat in de kleutergroep centraal. Als leerkracht ben je de hele dag bewust en onbewust bezig met het aanbieden van nieuwe woorden.

De woordenschatontwikkeling is heel belangrijk voor de communicatie en heeft een grote invloed op het leerproces van het kind. Soms hebben kinderen een kleine woordenschat of woordvindingsproblemen. In deze blog vertel ik je hoe je in de praktijk aan de woordenschat van kleuters kunt werken en welke strategieën je kunt inzetten wanneer kinderen vaak last hebben van woordvindingsproblemen.



Passieve en actieve woordenschat


Het aantal woorden dat iemand kent en begrijpt in een bepaalde taal noem je de woordenschat. De woordenschat van een kind wordt dus bepaald op basis van het totaal aantal woorden dat het kind kent. Woordenschat bestaat niet alleen uit het vermogen om woorden te begrijpen, maar ook uit het actieve gebruik van woorden. De woorden die het kind wel begrijpt en kan aanwijzen, maar niet gebruikt, vormen de receptieve of passieve woordenschat. De woorden die het kind actief gebruikt vormt de productieve woordenschat.

De passieve taalontwikkeling is altijd groter dan de actieve taalontwikkeling.

Het begrijpen van woorden is makkelijker, dan het zelf actief gebruiken van woorden.

Wanneer je een bepaald woord niet kent, dan kun je de betekenis ervan ook vaak herleiden uit de context.

 

De ontwikkeling van de woordenschat


De woordenschat breidt zich gedurende het hele leven uit.

Kinderen doorlopen daarbij verschillende fases.


De preverbale fase (0-12 maanden)

Baby's maken geluiden en beginnen klanken te produceren. Ze beginnen vertrouwd te raken met de klanken uit hun omgeving.


De vroeg-woordfase (12-18 maanden)

Kinderen reproduceren hun eerste woorden. Dit zijn vaak eenvoudige, veelgebruikte woorden, zoals 'mama' en 'papa'. Ze proberen nu hun behoeften en interesses te verwoorden.


De woorduitbreidingsfase (18-24 maanden)

De woordenschat van kinderen breidt zich uit en ze gaan woorden gebruiken die specifieker zijn dan de basiswoorden, die ze in de vroeg-woordfase hebben geleerd. Ze beginnen ook met het combineren van twee woorden tot eenvoudige zinnen.


De vroege meerwoordenzinnenfase (2-3 jaar)

Kinderen ontwikkelen zich verder en gaan eenvoudige zinnen van drie of meer woorden maken. Hun woordenschat groeit.


De uitbreidingsfase (3-4 jaar)

Kinderen blijven hun woordenschat uitbreiden en gaan abstractere en complexere woorden begrijpen en gebruiken. Ze kunnen ook meer complexe zinnen vormen en hun gedachten en gevoelens uitdrukken.


De geavanceerde fase (4 jaar en ouder)

De woordenschat wordt verder verfijnd en kinderen gaan woorden met meerdere betekenissen begrijpen en gebruiken.


Alle kinderen komen met andere bagage in de kleuterklas, ook wat betreft de hoeveelheid woorden die ze kennen. De grootte van de woordenschat is van veel factoren afhankelijk: de thuissituatie, meertaligheid, eerdere VVE ondersteuning enz...

Kleuters uit taalrijke milieus kunnen een woordenschat hebben die vijf keer zo groot is als die van kleuters uit taalarme milieus. Dat komt voornamelijk doordat zij meer dan twee keer zoveel verschillende woorden per uur horen dan kinderen uit taalarme milieus.


Kinderen met een beperkte woordenschat ervaren als kleuter al dat interactie met andere kinderen lastig verloopt. Leg in de huishoek maar eens uit dat je graag wilt koken en dat de tafel moet worden gedekt, als je de woorden niet hebt. Ze voelen dat ze niet begrepen worden en begrijpen op hun beurt andere kinderen ook niet. Dit heeft direct invloed op de sociale en emotionele ontwikkeling.

 

Incidenteel en intentioneel leren


Er zijn twee manieren om nieuwe woorden te leren.

  1. Incidenteel leren: dit betreft het natuurlijke proces waarbij kinderen nieuwe woorden leren.

  2. Intentioneel leren: dit betreft het bewust uitbreiden van de woordenschat volgens een bepaalde didactiek (het schoolse leren). Een leerling die in de thuissituatie minder rijk taalaanbod krijgt is meer gebaat bij het intentioneel leren.

Het is hoe dan ook goed om bij kleuters intensief in te zetten op woordenschat, omdat je hierin ook een basis legt voor de verdere schoolloopbaan. Zo is begrijpend lezen veel pittiger, wanneer je woordenschat klein is.

En dat heeft dan ook weer effect op de zaakvakken.

 

Strategieën voor woordenschatontwikkeling


Er zijn verschillende strategieën om de woordenschat van kinderen te vergroten.


Thematisch werken

Het is belangrijk dat je woorden kiest, die iets met elkaar te maken hebben.

Hierdoor is het voor kinderen eenvoudiger om een nieuw woord aan te leren.

In de meeste kleuterklassen wordt er gewerkt met een thema.

Hier kun je dan goed de woorden op aanpassen.


Spel

Bij woordenschatontwikkeling moet het verder om beleefde taal gaan.

En daar bedoel ik geen nette, voorbeeldige taalgebruik mee, maar wel dat de kinderen de woorden beleefd, ervaren en gedaan moeten hebben. Als je bij kleuters iets wat kinderen graag doen, koppelt aan wat ze moeten leren, dan gaat de woordenschatontwikkeling vele malen sneller en beter dan wanneer het aanbod vanuit een methode wordt aangeboden!

Beleefde taalstimulering moet gecontroleerd plaatsvinden tijdens doe-activiteiten.

Plaatjes en bladen komen pas aan het einde. Wat kleuters sowieso graag doen, is spelen. Dus als je spelvormen koppelt aan woordenschatstimulering, dan is er een beleefde woordenschatontwikkeling. Belangrijk is welke begeleidingstechnieken je in de spelbegeleiding toepast. Het is immers de bedoeling, om het kind tijdens dat spelen de woorden te laten verwerven.


Voorlezen

Door regelmatig voor te lezen uit boeken, die kinderen aanspreken en die een gevarieerde woordenschat kennen, werk je ook aan de woordenschatuitbreiding.

Benadruk daarbij bepaalde woorden door ze te herhalen en te bespreken.


Interactieve activiteiten

Zorg voor veel interactieve activiteiten. Betrek kinderen bij liedjes, rijmpjes en spelletjes. Herhaling en plezier zijn hierbij van belang.


Dagelijkse routines

Benadruk dagelijkse routines. Benoem dagelijkse handelingen, terwijl je ermee bezig bent. Je verbindt zo de woorden met concrete ervaringen.


Gesprekken

Stimuleer het voeren van gesprekken. Moedig kleuters aan om (met elkaar) te praten over hun ervaringen, gevoelens en gedachten. Luister actief en breid hun taal uit door zinnen aan te vullen en andere woorden te gebruiken. Moedig tevens het vertellen en uitbeelden van verhalen aan. Dit stimuleert de creativiteit en breidt de woordenschat uit.


Visuele hulpmiddelen

Maak gebruik van visuele hulpmiddelen, zoals afbeeldingen en prentenboeken om woorden duidelijk te omschrijven


Een taalrijke omgeving

Verrijk de omgeving met labels voor voorwerpen in de klas, een diversiteit aan boeken, puzzels en andere educatieve materialen.

 

Woordenschattechnieken


De volgende technieken kun je inzetten om aan de uitbreiding van de woordenschat te werken:

Vijfminutenaanpak door de leerkracht Bij de vijfminutenaanpak ben je vijf minuten bij het kind en verbaliseert je wat het kind aan het doen is. Als je dat vijf minuten hebt gedaan, ga je weer op ronde door de klas.

Na enige tijd kom je wéér bij het kind en verbaliseer je wéér vijf minuten. Het is aan te bevelen om dat per speelperiode minimaal twee keer te doen. Je kunt dit uiteraard ook binnen een bepaald groepje van maximaal vier kinderen doen.


Kijken naar anderen en verbaliseren door de leerkracht Je gaat met het kind bij een ander kind zitten. Samen kijk je naar wat dat andere kind doet en dát verbaliseer je. Je kunt ook samen met meerdere kinderen kijken naar een bepaald kind. Je vertelt wat het ene kind doet en de andere kinderen kijken en luisteren mee.


Verbaliseren en woord navragen door de leerkracht Je verbaliseert en vraagt regelmatig aan het kind: “Wat is dit?” Of (bijvoorbeeld): “Wat doet Suze?” (Woord navragen.)


Verbaliseren en gebeurtenissen navragen door de leerkracht Je verbaliseert wat het kind doet. Na afloop van de vijf minuten vraag je dan aan het kind wat het gedaan of gespeeld heeft. (“Wat heb je net gedaan?”)


Verbaliseren door het kind van wat anderen doen Je gaat met het kind bij een ander kind zitten. Het kind moet dan vertellen wat het andere kind doet. Als dat onvolledig is, moet je dat aanvullen. Je kunt dan spelen dat je jouw ogen dichtdoet en niets kunt zien. Het kind moet dan vertellen wat er te zien is.


Verbaliseren door het kind van wat het zélf doet Het kind moet tijdens het handelen vertellen wat het zélf aan het doen is.


Uitgetilde oefeningen Veel kinderen met taalontwikkelingsachterstanden hebben niet veel spontane ontwikkelingsmogelijkheden. Dat betekent, dat de verbaliseringstypen vaak gecombineerd moeten worden met inprentingsoefeningen. Dus na afloop van het verbaliseren oefen je nog even enkele dingen extra, in de vorm van nazegoefeningen. Je neemt een voorwerp. En je zegt: “Dit is een vork.” Daarna vraag je: “Dit is een …?” Essentieel bij deze aanpak is dat het beleefd (ervaren, gedaan) moet zijn.

Dat wil zeggen, dat het niet zomaar akoestisch nazeggen is, maar dat het moet gaan over iets dat aan te wijzen is, iets dat net gebeurd is of nú gebeurt. (“Ik ben nu aan het …”) Zomaar woorden nazeggen past niet binnen de aanpak van de beleefde taal.

Let er ook op, dat het kind goed gearticuleerd spreekt.

Soms betekent dit, dat je het kind het woord nóg een keer moet laten zeggen.


Expanderen Dat is het uitbreiden, uitbouwen van een uitlating van het kind, in de richting van een goede zin. Een kind zegt bijvoorbeeld: “Eten aap.” Jij reageert dan met: “Nu krijgt de aap te eten.”


Modelleren Dit gebeurt als we het kind een goed model aanbieden. Je zegt bijvoor­beeld: “De aap eet een banaan.” Daarna wijs je op een andere aap en vraagt: “Wat doet die aap?” Het kind antwoordt dan: “Die aap eet ook een banaan.”


Visualiseren De laatste fase van deze manier van begeleiden is, dat je afbeeldingen hebt van de woorden van de woordpakketkaart. Het is het mooist als je foto’s kunt maken van spelsituaties, handelingen of materialen, waar je vervolgens een prentenboekje van maakt.

Dat prentenboekje neem je mee in de laatste fase van de begeleiding. En je laat het kind dan over die foto’s praten. Op deze manier kun je tevens bepalen wat het leerresultaat is van jouw handelingsplannen. Want uiteindelijk moet de beleefde taal ook aan de hand van afbeeldingen op het platte vlak beheerst worden!

 

Een doelgericht aanbod


Woordenschatontwikkeling gebeurt vooral in interactie met elkaar. Daarnaast is een goed, doelgericht woordenschataanbod ook erg belangrijk. Juist bij deze activiteiten (zoals bijv. (interactief) voorlezen of bekijken van educatieve programma's, komen de kinderen in aanraking met nieuwe woorden.

Deze bied je in de volgende vijf stappen aan:


Stap 1: Woorden kiezen

Voordat je doelgericht woorden gaat aanbieden moet je eerst een keuze maken.

Kies rond de 15 tot 20 woorden uit, die niet te makkelijk zijn.

Veel woorden zijn vaak al wel bekend en hierdoor mis je de kans om moeilijkere en onbekende woorden aan te bieden.

Kies voor woorden, die functioneel zijn voor de kinderen. Leer bijvoorbeeld niet het woord ‘fluitketel’ aan, terwijl je weet dat de meeste kinderen thuis een waterkoker hebben.

Om de woorden te laten aansluiten bij de belevingswereld, is het een goed idee om woorden te kiezen die bij het thema passen waar je op dat moment in de klas over werkt.

Start het thema met de basiswoorden en biedt daarbij de lidwoorden aan.

Laat de woorden aansluiten bij eerder genoemde woorden.

Bied niet alleen voorwerpen aan, maar ook gerelateerde werkwoorden, verkleinwoorden, meervoudsvormen en plaats-/positiebegrippen.

Bied ook woorden aan die kinderen moeten kennen om een taal-/rekenopdracht uit te voeren, zoals bijv. goedkoop of duur. Bedenk voordat je start aan een thema ook welke woorden je op welke dag/welke week je gaat aanbieden. Je kunt dan ook activiteiten op deze dag aanbieden waarbij deze woorden herhaald zullen worden.


Stap 2: De woorden doelgericht aanbieden (voorbewerken)

Na de woordkeuze is het belangrijk om doelgericht de woorden aan te gaan bieden.

Creëer hiervoor een rijke situatie waarin je nagaat wat de voorkennis van de kinderen is en waarin de woorden aangeboden kunnen worden. Vraag nooit: “Wie weet wat dit is?”

Het risico bestaat dat kinderen dan één van de verkeerde antwoorden onthouden.

Daarnaast ben je op die manier geen woorden aan het aanbieden, maar aan het controleren wie de betekenis van het woord al kent.

Activiteiten in deze fase zouden kunnen zijn:

  • Een woordweb maken

  • Een mindmap maken

  • Een verhaal voorlezen

  • Een voeldoos maken, met daarin voorwerpen, die passen bij de woorden.




Stap 3: Maak de betekenis duidelijk (semantiseren)

Vervolgens is het belangrijk dat de leerkracht de betekenis van het woord duidelijk maakt.

Je kunt hier gebruik maken van de drie U's: uitbeelden, uitleggen en uitbreiden.

Hierdoor wordt de betekenis zichtbaar, toegelicht en wordt het netwerk van woorden gekoppeld. De woorden worden in deze fase geclusterd in grafische modellen aangeboden.

Hang deze woordclusters zichtbaar op, zodat het woord in beeld blijft.

Activiteiten in deze fase zouden kunnen zijn:

  • Woordclusters maken

  • Woordclusters verwerken in grafische modellen zoals een woordkast, een woordparaplu of een woordtrap. Hang deze zichtbaar op en besteed er meerdere keren per dag aandacht aan.

  • Vast moment van de dag voor expliciete instructie van woorden

  • Woorden uitbeelden met concrete voorwerpen of afbeeldingen

  • Woorden uitbeelden door ze voor te doen

  • Woorden uitleggen door ze een definitie te geven of synoniemen te noemen

  • Het woord in een zin gebruiken

  • Het woord uitbreiden door ze in een context te plaatsen

  • Bied een woord van de dag aan. Maak deze ook visueel zichtbaar.


Stap 4: Inoefenen (consolideren)

Nadat je woorden expliciet hebt aangeboden is het net zo belangrijk om het woord goed in te oefenen. Na één keer aanbieden onthouden de kinderen het woord en de betekenis namelijk nog onvoldoende. Het is dan ook nodig om het woord en de betekenis ervan in te oefenen door verschillende activiteiten aan te bieden. Deze activiteiten kunnen op verschillende momenten verdeeld over de dag/week plaatsvinden.

Wanneer je meerdere keren op verschillende manieren in de week de woorden herhaalt, zal dit woord beter beklijven. Prentenboeken zijn hier bijvoorbeeld ook erg geschikt voor en ze zijn lekker laagdrempelig.

  • Klappen als je het woord hoort in een verhaal.

  • Zelf een zin of een verhaal bij een aantal woordkaarten maken.

  • Het spelletje: "Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet".

  • Het spelletje "Wat is het?" Laat de kinderen door vragen te stellen raden over welke woordkaart het gaat.

  • Zing liedjes rondom de aangeboden woorden.

  • Leer versjes rondom de aangeboden woorden.

  • Knutselen of tekenen bij aangeboden woorden.

  • Een verteltafel.


Stap 5: Controleren

Tenslotte controleer je of de leerlingen het woord en de betekenis kennen.

Daarbij zet je niet in op de passieve woordenschat, maar controleer je of de kinderen het woord actief beheersen. Doe dit bij voorkeur spelenderwijs en door te observeren en liever niet door het af te checken. Tijdens de activiteiten zie je al snel of een kind actief een woord gebruikt en of dat een kind het woord begrijpt.

Activiteiten, die zich hiervoor lenen zijn bijvoorbeeld:

  • Het flitsen van woordkaarten

  • Bingo spelen

  • Zoek iemand die een (het woord) heeft

 

Woordvindingsproblemen


Soms ligt een woord op het puntje van je tong en weet je wat je wil zeggen, maar kun je het juiste woord niet oproepen. Vaak hangt het dan samen met bijvoorbeeld vermoeidheid. Vaak komt het woord alsnog naar boven als je even wacht, of als je nadenkt over de eerste letter of klank. Ook kan het woord alsnog naar boven komen als er een omschrijving van het woord wordt gegeven of als het wordt getekend of uitgebeeld via een gebaar.

Sommige kinderen hebben echter regelmatig moeite om op woorden te komen.

Kenmerken van kinderen met woordvindingsproblemen zijn:

  • Ze hebben vaak meer tijd nodig voor het vinden van een woord.

  • Ze maken zinnen vaak niet af

  • Ze blijven in de zin steken en herhalen een stuk van de zin.

  • Ze zeggen vaak “eh”, “mmm”, “tja”, “ik weet het niet” of “hoe heet het ook al weer”. Hiermee probeert het kind tijd te rekken.

  • Ze gebruiken vaak lege taal met behulp van aanwijzende en persoonlijke voornaamwoorden en kunnen moeilijk op de inhoudswoorden komen.

  • Ze gebruiken ondersteunende of vervangende gebaren.

  • Ze kunnen soms gefrustreerd reageren en vermijdend of clownesk gedrag vertonen

Woordvindingsproblemen kunnen niet verholpen worden. Je kunt kinderen wel strategieën aanreiken om beter op de woorden te kunnen komen.

  • Het is heel belangrijk het kind de tijd te geven om te vertellen wat hij/zij wil zeggen. Soms kan dat al een groot deel van de problemen verhelpen.

  • Stel het kind gerichte wie, wat, waar, wanneer en hoe-vragen: Bij wie hoort het? Wat kan je ermee doen? Waar is het van gemaakt? Wanneer gebruik je het? Hoe ziet het eruit? Enzovoort.

  • Laat het kind het woord beschrijven

  • Geef het kind categoriseeroefeningen.

  • Geef het kind de eerste letter of lettergreep van het woord. Hanteer deze strategie wel als uiterste om frustraties te voorkomen wanneer een kind een woord niet kan oproepen.

  • Verwijs een kind naar logopedie.

 

Ondersteuning


Net zoals je ondersteuning biedt voor de taal- of rekenontwikkeling hebben sommige kinderen ook ondersteuning nodig op het gebied van woordenschat.

Maar hoe geef je de ondersteuning vorm? Deze kun je bijvoorbeeld vormgeven door de kinderen uit te nodigen in een kleine kring. Daarbij kies je in eerste instantie voor spellen waar de woordenschat passief toegepast kan worden, maar later kies je voor spellen waarbij die woorden actief gebruikt moeten worden. En vergeet daarnaast niet, dat begeleid spelen erg waardevol is om de woordenschat te stimuleren. Door het spel te leiden en taal toe te voegen aan het spel, kunnen de kinderen de woorden en taal eigen maken.


De thuissituatie is ook bepalend. Maak ouders daarom duidelijk hoe essentieel een grote woordenschat is en breng ze op ideeën om het een en ander te verbeteren.

Ouders kunnen met een kleine bijdrage al een grote bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de woordenschat van hun kind. Geef ze bijv. de volgende tips:

  • Zorg voor veel interactie met het kind.

  • Spreek in volzinnen. Een zin als 'Wil je even je blauwe jas pakken die aan de kapstok in de gang hangt? ''heeft heel veel meer woordenschat in zich dan de zin 'Pak je jas!', ook al is de boodschap hetzelfde.

  • Wees niet terughoudend met moeilijke woorden.

  • Ook met een zesjarige kun je spreken over iets abstracts als het woord ‘inspiratie’. Misschien begrijpen ze het concept van het woord niet meteen of nog niet helemaal, maar ze kunnen er al wel mee oefenen. Hoe vaker ze zo’n woord horen in een betekenisvolle context, hoe sneller ze het oppakken.

  • Door voor te lezen komen kinderen met andere woorden in aanraking dan normaal.

  • Meertaligheid is geen belemmering, maar kan juist in het voordeel werken: de verschillende talen zorgen voor een breder woordbegrip.

Als ouders en school samenwerken aan de woordschat van kinderen, sluiten thuis en school op elkaar aan en creëren ouders en school samen een taalrijke omgeving.

Probeer ouders ook te betrekken bij je onderwijs. Vermeld bijvoorbeeld in de nieuwsbrief welke woorden er geïntroduceerd zijn, welke liedjes en versjes er geleerd zijn, aan welke doelen er gewerkt wordt en door ouders op school te betrekken bij de activiteiten.

 

Op zoek naar meer?


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest

Heb je zelf ook nog leuke suggesties?

Inspireer dan collega’s door jouw ideeën in een reactie op deze blog te delen!

 

Bronnen




..

.

.



6.774 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page