Zoeken
  • Juf Angelique

Zelfbeeld en zelfvertrouwen

Bijgewerkt op: 11 jul.

Zelfbeeld heeft betrekking op de opvatting die je over jezelf hebt. In de kleuterperiode laten kinderen een toenemend ik-besef zien. Als gevolg van dit toenemende besef worden kinderen zich ook bewust van de eigen kwetsbaarheid. Het zelfbeeld is ook van invloed op het gedrag van een kind. Als kinderen denken dat ze iets niet kunnen, terwijl ze het wel kunnen, dan kan dat de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind in de weg zitten of juist optimaliseren. Dit vraagt dus om een goede ondersteuning bij de ontwikkeling van een realistisch en positief zelfbeeld. In deze blog lees je er meer over.



De ontwikkeling van het zelfbeeld


Het zelfbeeld is het geheel van eigenschappen, waarmee het kind zichzelf kan beschrijven. (‘Ik ben een meisje, ik ben vijf jaar, ik kan fietsen, ik heb blond haar, Eva is mijn beste vriendin, ik ben lief.’)Ieder mens ontwikkelt in de loop der jaren een zelfbeeld.

Dit zelfbeeld is echter geen vast gegeven. Het vormt zich door de gedachten, die het kind heeft gevormd over zichzelf, maar ook door ervaringen die het opdoet.

Fundamenteel zelfvertrouwen heeft ook te maken met een veilige binding.

Hoe een kind over zichzelf denkt, wordt ook beïnvloed door de manier waarop mensen over hem/haar denken, wat er tegen (of over) hem/haar gezegd wordt, hoe mensen op hem/haar reageren, hoe hij/zij gewaardeerd wordt. Dit wordt ook wel het spiegeleffect genoemd.

Kinderen die een positief zelfbeeld hebben, houden van zichzelf en stralen meer zelfvertrouwen uit.


Een baby weet nog niet van zichzelf dat hij bestaat. Maar in de tweede helft van zijn eerste levensjaar komt daar verandering in: hij leert dan om zich een voorstelling te maken van zichzelf. Rond 20 maanden begint hij zichzelf in een spiegel en op foto’s te herkennen.

Van een echt zelfbeeld is daarmee echter nog geen sprake.


Volgens ontwikkelingspsycholoog Rita Kohnstamm ontstaat vanaf een jaar of drie, vanuit een groeiend zelfbewustzijn, het besef, dat je een onafhankelijk, zelfstandig individu bent: het ik ben ik-gevoel. Het kind beseft, dat het een wezen is, dat een bestaan heeft, los van anderen. Een peuter begint langzaam te beseffen dat het los van de rest van de wereld, iemand is.

Het zelfbesef is in ontwikkeling. Dit besef maakt het mogelijk, dat het kind over zichzelf kan nadenken en zichzelf kenmerken kan toeschrijven. Vanuit die ervaringen ontstaat een zelfbeeld. Een peuter gaat steeds meer merken dat hij zelf dingen kan doen, waardoor het ook steeds meer een eigen wil ontwikkelt, wat zich soms uit in driftbuien.

Driftbuien ontstaan omdat het kind nog niet goed kan verwoorden wat het wil en hoe het zich voelt. Naast het besef dat hij zelf iemand is, die gevoelens en gedachten heeft, wordt een peuter zich ervan bewust dat anderen ook gevoelens en gedachten hebben.

Hij zal het zien wanneer iemand huilt en zal proberen te troosten en te helpen.

Desondanks is het inleven in anderen en rekening houden met anderen, nog moeilijk.

Peuters en jonge kleuters zijn vooral nog egocentrisch, dat wil zeggen: op zichzelf gericht.

Dat is het begin van hun zelfbeeld.


In de kleuterfase ontwikkelen kinderen steeds meer hun eigen identiteit en ontdekken ze steeds meer wie ze zijn. Een kleuter zal zijn zelfbeeld concreet omschrijven aan de hand van de kennis en de vaardigheden dit het over zichzelf heeft: ik heb een bal, ik kan lopen, ik ben aan het kleuren. Kleuters zijn daarbij totaal nog niet bewust met anderen bezig.

Ze vergelijken zichzelf en hun prestaties niet met anderen. Sterker nog: kleuters hebben de neiging om hun kennis en vaardigheden op alle gebieden te overschatten.

Het zijn eeuwige optimisten! Pas wanneer een kleuter wat ouder is leert hij om zichzelf iets meer psychologisch te bekijken. Hij omschrijft zichzelf dan bijvoorbeeld als verlegen of vrolijk. Heel langzaam ontwikkelt hij een zelfbeeld. Die ontwikkeling gaat zijn hele jeugd, puberteit en adolescentie door. In de praktijk zie je dat de beginsituaties van kleuter erg veel kunnen verschillen. De ene kleuter die net op school komt heeft al meer zelfbeeld, dan de andere. Uiteindelijk zijn er een aantal doelen die je aan het eind van groep 1/2 wil behalen.

De volgende ontwikkellijnen zijn hierbij een handig hulpmiddel. Ze geven informatie over de vorderingen, die kinderen in de ontwikkeling van hun zelfbeeld maken, maar houden daarbij wel rekening met het eigen tempo en de bijzondere manier waarop zij zich ontwikkelen.

De ontwikkeling van een kleuter verloopt namelijk niet lineair, maar met sprongen.

Over het algemeen bevinden kleuters zich wat betreft hun zelfbeeld in de volgende ontwikkelingsfase:


Halverwege groep 1:

  • Gebruikt en begrijpt het woord ‘wij’.

  • Ontdekt verschillen en overeenkomsten tussen zichzelf en de anderen in de groep.


Eind groep 1:

  • Besef van eigen ‘ik’ (zelf besluiten nemen en daaraan vasthouden).

  • Kent de namen van kinderen uit de eigen groep.


Midden groep 2:

  • Heeft kennis van zichzelf.

  • Heeft kennis van de ander.

  • Kent verschillen en overeenkomsten tussen zichzelf en de anderen in de groep.


Eind groep 2:

  • Benoemt kenmerken van het eigen uiterlijk met oog voor details.

  • Kent eigen sterke kanten en interesses.


Op latere leeftijd ontstaan er enorme verschillen tussen kinderen in hun zelfbeeld.

Sommige kinderen zijn tevreden met zichzelf, terwijl anderen zich slecht voelen over zichzelf. Sociale relaties hebben hierbij een cruciale invloed.

 

Fundamentele behoeften


Er zijn vier fundamentele, emotionele behoeften, die een belangrijke rol spelen bij het leren van jezelf te houden en jezelf te waarderen. Kortom: bij het ontwikkelen van een sterk gevoel van eigenwaarde.

Erbij horen: Kinderen zijn sociale wezens. Een gevoel van verbondenheid met andere mensen (andere kinderen) is daarom hun fundamentele behoefte. Kinderen ontwikkelen een gevoel van geborgenheid door het idee, dat ze tot een groep behoren. Een gevoel van erbij horen wordt ontwikkeld door de relatie met mensen, plaatsen en dingen. Maar bij kinderen vooral, wanneer ze zich bemind voelen door iemand die om ze geeft.


Uniek zijn: Ieder kind is uniek. Het is belangrijk, dat leerkrachten kinderen zien als zelfstandige wezens, om zo hun eigen, unieke ontwikkeling te stimuleren.


Macht hebben: Voor een sterk gevoel van macht moeten kinderen de indruk krijgen, dat ze hun omgeving kunnen beïnvloeden en enige controle over hun leven hebben. Er schuilt een sterke macht in het leren beheersen van een nieuwe taak. Bij het leerproces hebben kinderen hun leerkracht nodig, die ze steunt en bemoedigt bij het aanleren van nieuwe vaardigheden en het bereiken van doelstellingen.


Vrijheid van meningsuiting: Kinderen moeten kunnen zeggen wat ze denken, openlijk hun gevoelens kunnen uiten en kunnen vragen wat ze willen. Dit wil overigens niet zeggen, dat kinderen alles krijgen wat ze willen!

Vertrouwen in de ander: Als het kind vertrouwen in de ander heeft, heeft dit een gunstig effect op het zelfbeeld van het kind. Het kind dat vertrouwen in de ander heeft, zal vanuit een positieve en zelfverzekerde houding de ander benaderen. De kans is dan groot, dat de ander op een positieve wijze terug zal reageren. Deze reactie van de ander versterkt het positieve zelfbeeld van het kind.



Als de fundamentele, emotionele behoeften van kinderen worden bevredigd, dan levert dat een belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van een positief zelfbeeld.

 

Je zelfbeeld is niet van jezelf


Maar er zijn ook nog andere factoren, die een bijdrage leveren tot de vorming van het zelfbeeld, zoals de sociale omgeving. Ouders, vriendjes en leerkrachten spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van het zelfbeeld van een kind. In de sociale wereld ziet een kind hoe andere mensen zich gedragen en krijgt hij feedback op zijn eigen gedrag. Alleen in een sociale context krijgt zijn gedrag betekenis. Zijn zelfbeeld ontwikkelt een kind op basis van de feedback van andere mensen.

Dat gebeurt op twee manieren:

  1. Door expliciete feedback: mensen die rechtstreeks tegen hem zeggen dat hij iets goed of juist niet goed doet.

  2. Door impliciete feedback: uit reacties van mensen leidt hij af wat ze van hem vinden.

De manier waarop de omgeving op zijn/haar gedrag reageert, geeft het kind een idee hoe er over hem/haar wordt gedacht: ondervindt hij/zij goedkeuring of afkeuring? Het kind bouwt ook ideeën op over de reacties die het in zijn/haar omgeving oproept. .

Je zelfbeeld is dus niet van jezelf: dat krijg je van de andere mensen om je heen.

Jouw zelfbeeld is het beeld dat anderen van jou hebben, en aan jou teruggeven.

Stel je zou bijvoorbeeld opgroeien op een onbewoond eiland, dan heb je natuurlijk geen enkel vergelijkingsmateriaal of referentiekader om je eigen gedrag aan te toetsen.

Hoe de naaste omgeving reageert op het gedrag van een kind, is dus bepalend voor de manier waarop hij naar zichzelf kijkt. Dat betekent dus ook dat de omgeving met hun gedrag het zelfbeeld van het kind kunnen beïnvloeden. Op jongere leeftijd zijn dat vaak familieleden, maar ook bijvoorbeeld een pedagogisch medewerker van de kinderopvang, een leerkracht op school of een voetbaltrainer.


In de puberteit worden de leeftijdsgenoten van een kind vaak meer bepalend voor zijn zelfbeeld. Kinderen worden dan minder gevoelig voor feedback van mensen die ouder zijn dan zijzelf. Het zelfbeeld ontwikkelt zich door tot in de adolescentie.

 

Vijf typen zelfbeelden


Met betrekking tot het sociaal-emotioneel functioneren maakt men onderscheid tussen vijf typen zelfbeelden. Ieder type kent zijn eigen kenmerken, oorzaken en vraagt om een andere begeleiding.


1. Een reëel positief zelfbeeld:

  • Kenmerken:

Het kind denkt, dat het over het algemeen gewenst gedrag vertoont en dat is in werkelijkheid ook zo. Dit is een gewenst zelfbeeld.

Dit kind denkt doorgaans positief over zichzelf en staat stevig in zijn/haar schoenen, kan met problemen omgaan, durft contact te maken met de omgeving, vertoont initiatief en durft taken aan, durft wat te vragen en kan ook nee zeggen, komt voor zichzelf op en is assertief en kan omgaan met kritiek én met complimenten.

  • Ontstaan:

Dit type zelfbeeld zie je wanneer een kind veel ontwikkelingsmogelijkheden en successen heeft en positieve aandacht krijgt met betrekking tot hoe het zich gedraagt.

Met die positieve reacties bouwt het kind positieve zelfkennis op.

  • Begeleiding:

Om een gewenst zelfbeeld zo te houden is het belangrijk om een kind ervan bewust te blijven maken wat hij/zij allemaal kan, het kind positief te benaderen, eisen aan een kind te stellen, die het aankan en het kind eerlijke informatie te geven over zijn eigen functioneren.


2. Een verondersteld vermogen:

  • Kenmerken:

Het kind denkt, dat het over het algemeen gewenst gedrag vertoont terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. Dit is een ongewenst zelfbeeld en kan zorgen voor overmoedigheid en het nemen van te grote risico's, werkhoudingsproblemen en een onjuiste taakuitvoering en het zichzelf te weinig openstellen voor opvoedingsvoorstellen, waardoor opvoedkundige contacten weinig effect zullen hebben.

  • Ontstaan:

Dit type zelfbeeld kan ontstaan als zijn begeleiders te weinig kritisch zijn, alles weglachen en een kind onvoldoende geconfronteerd wordt met het eigen functioneren en onvoldoende gewezen wordt op ongewenst gedrag en onvoldoende prestaties. Soms kan het ook een gevolg zijn van pedagogische verwaarlozing: het kind is dan te vaak vergeten.

Daarnaast is het ook mogelijk dat een kind een stoornis heeft in het opnemen, verwerken en weer gebruiken van informatie. In dat geval krijgt het kind vanuit zijn omgeving misschien wel de juiste signalen met betrekking tot zijn/haar functioneren, maar die ervaringen zijn dan geen ervaringskennis geworden.

  • Begeleiding:

Confronteer dit kind regelmatig met zijn eigen functioneren, zodat het zich bewust wordt van de realiteit. Bespreek dat in termen als: "dit moet er gebeuren", "dit heb je gedaan" en "heb je nu gedaan wat er moest gebeuren?". Dat kan in het begin even schrikken zijn voor een kind, maar is wel helpend en belangrijk voor de verdere ontwikkeling.


3. Een verondersteld onvermogen:

  • Kenmerken:

Het kind denkt te slecht over zichzelf, dat het over het algemeen veelal ongewenst gedrag vertoont terwijl dat in werkelijkheid helemaal niet zo is. Dit is een ongewenst zelfbeeld en kan leiden tot faalangst en passiviteit, minder motivatie , stoer doen, agressie gedrag en aandacht trekken. Dit kind is overgevoelig voor reacties van anderen. Het kind ervaart immers géén zelfwaardering en zal derhalve op zoek gaan naar waardering buiten zichzelf. Anderen kunnen met woorden en handelingen het kind veel of weinig zelfvertrouwen geven. Het kind blijft op zoek gaan naar waardering. Door het gebrek aan zelfwaardering kan het kind stoer gedrag vertonen als tegenreactie. Doorgaans kan het kind moeilijk omgaan met kritiek. Het kind heeft immers al een negatief beeld van zichzelf. En kritiek van buitenaf versterkt dit negatieve (zelf)beeld van het kind alleen maar. Om geen teleurstellingen en negatieve ervaringen te hoeven ondervinden, kan het kind zich ook terugtrekken en moeilijk contact maken met de omgeving. Het is een soort vluchtgedrag uit zelfbehoud.

  • Ontstaan:

Dit type zelfbeeld kan ontstaan als een kind het gevoel heeft dat hij er sociaal niet meer bij hoort en denkt dat hij/zij daardoor niets waard is. Misschien krijgt het kind nooit of te weinig te horen hoe men over de prestaties en het gedrag van het kind denkt en/of dat hij veel dingen wel goed doet, weet of kan. Of misschien wordt het kind steeds op een onrechtvaardige manier met anderen vergeleken en worden er te hoge eisen aan hem/haar gesteld. Ook in dit geval is het mogelijk dat een kind een stoornis heeft in het opnemen, verwerken en weer gebruiken van informatie. In dat geval krijgt het kind vanuit zijn omgeving misschien wel de juiste signalen met betrekking tot zijn/haar functioneren, maar die ervaringen zijn dan geen ervaringskennis geworden.

  • Begeleiding:

Richt de begeleiding op het zichzelf beter leren kennen. Maak bijvoorbeeld een "Dit kan ik al" boekje. Geef het kind veel positieve aandacht en benoem het goede gedrag. Spreek verwachtingen uit en stel eisen aan het kind, die afgestemd zijn op zijn/haar eigen kunnen. Houd hierbij het tempo van het kind in de gaten. Want ieder kind heeft zijn/haar eigen tempo. Besef, dat het ene kind meer uitleg nodig heeft dan het andere kind.

Karakters en temperamenten verschillen. Stimuleer en beloon initiatieven en pogingen van het kind om iets zélf te doen.

Doe dit door het kind een beloning te geven of door het kind aan te moedigen. Prijs het kind voor wat het doet. Geef ook opbouwende kritiek. Dit doe je, als je concreet het gedrag van het kind benoemt en daarbij zegt wat je vervelend vindt aan dat gedrag.

Je laat dit ook écht in uw eigen gedrag zien, zowel verbaal als non-verbaal.

Relativeer een negatieve ervaring als eenmalig of toevallig. Leer het kind om zichzelf een schouderklopje te geven. (Hardop dingen voor jezelf zeggen helpt hierbij!)

Tot slot vertel je hoe het kind het anders kan doen, want het kind met weinig zelfvertrouwen heeft natuurlijk baat bij praktische handreikingen.


4. Een reëel negatief zelfbeeld:

  • Kenmerken:

Het kind denkt, dat het over het algemeen gewenst gedrag vertoont terwijl dat in werkelijkheid ook zo is. Dit is een ongewenst zelfbeeld, dat vaak leidt tot onverschilligheid en passiviteit.

  • Ontstaan:

Dit type zelfbeeld kan ontstaan als een kind vaak ongewenst gedrag vertoont en dit ook vanuit zijn omgeving te horen krijgt. Het kan ook ontstaan als een kind leerstof aangeboden krijgt, die te moeilijk is en hij/zij zich bewust is van het falen op dit gebied.

  • Begeleiding;

Dit type zelfbeeld vraagt om leerstof, die aangepast wordt (eventueel in de vorm van een eigen leerlijn) en aansluit bij de kenmerken van het kind en een goed opgezette gedragsbegeleiding, door een aanpak op te zetten, waarbij het kind succeservaringen opdoet


5. Een diffuus zelfbeeld:

Hierbij maken we onderscheid tussen twee subtypen:


- Een onecht diffuus zelfbeeld:

  • Kenmerken:

Het kind heeft geen idee over zijn/haar gedrag. Dit beeld wordt onecht genoemd als een kind beperkte uitingsmogelijkheden heeft in de vorm van taal of mimiek. Dit is een ongewenst zelfbeeld, die kan leiden tot kinderstress of agressie gedrag.

  • Ontstaan:

Dit type zelfbeeld kan ontstaan als een kind taalontwikkelingsproblemen heeft, verbaal verwaarloosd wordt of door een stoornis in het kind op het gebied van de taalontwikkeling.

  • Begeleiding:

Leer het kind sociaal-emotionele taal te verwerven en oefen concrete, sociale vaardigheden.


- Een echt diffuus zelfbeeld

  • Kenmerken:

Het kind heeft geen idee over hoe het zich gedraagt, terwijl het wel verbale uitingsmogelijkheden bezit. Dit is een ongewenst zelfbeeld, die de ontwikkeling van een kind ernstig belemmert en kan leiden tot het niet kunnen ontwikkelen van een eigen ik.

  • Ontstaan:

Dit type zelfbeeld kan ontstaan als een kind pedagogisch verwaarloosd wordt en de opvoeders het kind te weinig informatie geven over het handelen en functioneren. Het kan ook zijn dat een kind problemen heeft met het opnemen, verwerken en weer gebruiken van informatie ten gevolge van een hersenfunctiestoornis.

Het ontstaan kan ook te maken hebben met ernstige emotionele problemen, bijvoorbeeld ten gevolge van ingrijpende ervaringen en mishandeling. Of ten gevolge van een persoonlijkheidsstoornis.

  • Begeleiding:

Leer het kind sociaal-emotionele taal te verwerven, oefen concrete, sociale vaardigheden en bouw het "ik" van een kind op door remedial education uit te voeren. Dit is remedial teaching buiten de klas voor gedragsproblemen. Wanneer dit te weinig effect heeft, dan is het aan te raden een orthopedagoog of psycholoog in te schakelen.

 

Activiteiten in de kring


Laat alle leerlingen tijdens een vragenronde over een bepaald onderwerp in de kring tegelijk antwoorden. Spreek van tevoren een teken af dat aangeeft wanneer de leerlingen tegelijk moeten antwoorden. Voor een onzekere leerling is het namelijk fijn dat hij niet het gevoel heeft dat alle ogen op hem gericht zijn.


Wat kun je al goed en waar wil je beter in worden?

Je hebt nodig:

-

Vraag de kinderen wat ze al goed kunnen en waarom ze dat vinden.

Bijvoorbeeld: Ik ben goed in voetbal, want ik kan heel hard schieten.

Hoe komt het dat ze hier zo goed in zijn geworden?

Daarnaast bedenken ze ook een kracht die goed bij hen past en waar we in de klas wat aan hebben zoals: behulpzaam zijn, goed kunnen uitleggen of dingen oplossen.

Zijn er ook kinderen die kunnen vertellen waar het andere kind volgens hen goed in is?

Laat ze ook vertellen over waar ze beter in zouden willen worden.

Hoe zou je daar beter in kunnen worden?

Wat denk je dat beter helpt: als je tegen jezelf zegt dat je iets niet kan of als je zegt: IK KAN HET!? Ook als het dan nog niet lukt voelt het in ieder geval fijner om het te oefenen.

Superhelden gebruiken allerlei woorden, zoals Pow, Boom, Bang om hun daden nog meer superkracht bij te zetten. NOG is ook zo'n superwoord. Luister maar!

"Ik kan het niet", "Dit werkt niet", "Ik weet het niet", "Ik ben hier niet goed in"

"Ik kan het NOG niet", "Dit werkt NOG niet", "Ik weet het NOG niet", "Ik ben hier NOG niet goed in". Laat de kinderen nadenken over het waarom van dit superkrachtige woord en bespreek op die manier op hun niveau het verschil tussen een vaste en een groei mindset.

Maak dit visueel met een leertrap. Steeds zet je een stapje dichterbij de hoogste tree.


Kanjerkaart/oorkonde:

Je hebt nodig:

- Een Kanjerkaart of een oorkonde

Kies iedere dag een kanjer van de dag of laat deze door de kinderen kiezen.

Geef deze kanjer een kanjerkaart of een oorkonde, waarop zijn/haar positieve gedrag/eigenschap/daad wordt benoemd.


Boeken:

De volgende boeken lenen zich goed om het met kleuters over zelfvertrouwen en mindset te hebben.

Blij met mij - Anna Llenas

De leeuw in de muis - Rachel Bright

De stip - Peter H. Reynolds

Een giraf kan niet dansen - Giles Andreae

Een kip van niks - Miss Sasa

Joris puzzelt een dino - Harmen van Straaten

Laat maar los, koala! - Rachel Bright


Complimenten fluisteren:

Je hebt nodig:

-

De kinderen gaan in een kring zitten. De leerkracht duidt een kind aan wat één van de onderstaande complimenten in de ander zijn oor fluistert. Dit kind fluistert wat hij heeft gehoord in het oor van het andere kind. Zo gaan we de hele kring rond.

Is de zin op het einde nog juist?

  • Ik vind je fantastisch.

  • Voor mij ben je de beste!

  • Voor mij bent je volmaakt.

  • Ik houd van jouw ...


Kind van de dag/week:

Je hebt nodig:

-

Kies steeds een kind van de dag of week. Deze heeft die dag of week een bijzondere dag/week, waarop hij/zij in de belangstelling staat van de klas en leerkracht.