Zoeken

Vakken: Auditief waarnemen

Bijgewerkt: mei 5

In deze blog geef ik je suggesties voor activiteiten rondom auditief waarnemen die bij ieder thema (aan te passen en) te gebruiken zijn.


Geluid

Geluid lokaliseren:

Nodig: Instrument.

Neem een instrument of maak een bepaald geluid, passende bij het thema.

Vraag de kinderen om hun ogen te sluiten.

Ga zelf (of laat een kind) op een plek in de klas staan en maak geluid.

De kinderen wijzen vervolgens in de richting waar het geluid vandaan komt.

Je kunt dit spel ook spelen met een kind wat geblinddoekt wordt.


Rara, wat is dat?

Nodig: Geluiden, passende bij het thema (zoek ze op Internet).

Laat allerlei geluiden horen. Kunnen de kinderen raden wat ze horen?

Is het geluid hard of zacht?

Tik, tik, wie ben ik?

Nodig: -

Een kind wordt geblinddoekt. Een ander kind gaat erachter zitten, tikt zachtjes op zijn/haar rug en zegt: Tik, tik, wie ben ik? Hoort het geblinddoekte kind aan de stem wie dit is?


Hoeveel kinderen zitten er achter je?

Nodig: -

Een kind wordt geblinddoekt. Een aantal kinderen gaan op een teen van de leerkracht achter hem/haar zitten. Kan het geblinddoekte kind raden hoeveel kinderen dit zijn?

Auditief geheugen

BOEM!

Nodig: 3-5 verschillende afbeeldingen of voorwerpen, passende bij het thema.

Speel in de kring het spelletje “BOEM”. Leg de voorwerpen of afbeeldingen in de kring en stuur 1 kind even naar de gang. In de kring wordt afgesproken bij wel voorwerp er “BOEM” mag worden geroepen. De kleuter in de gang komt terug en wijst de voorwerpen aan en gaat zo op zoek naar het voorwerp dat “BOEM” zal opleveren.


Reeksen herhalen:

Nodig: 2-5 woordkaarten of voorwerpen, passende bij het thema.

Oefen het auditief geheugen van de kinderen door bijvoorbeeld twee, drie, vier of vijf woordkaarten van dit thema hardop te benoemen, laat de kinderen deze reeks woorden vervolgens herhalen en daarbij de genoemde kaarten in de juiste volgorde neerleggen.

Moeilijker: Noem 2-5 woorden op (zonder visuele ondersteuning) en laat de kinderen deze woorden in de goede volgorde nazeggen.


Welk woord is er niet genoemd?

Nodig: Woordkaarten of voorwerpen, passende bij het thema.

Leg een reeks van een aantal woordkaarten van dit thema neer en noem er eentje niet op. Welk woord heb je niet gehoord? Wijs het aan!

Moeilijker: Noem 3- 4 woorden op, zonder visuele ondersteuning.

Doe dat nog een keer, maar laat er nu één weg.

Welk woord heb je nu niet opgenoemd?


Spel: Welk woord heb jij?

Nodig: Woordkaarten, passende bij het thema.

Geef elk kind een woordkaart uit dit thema. De kinderen bestuderen hun kaart en leggen deze daarna omgekeerd onder hun stoel. Noem nu steeds een kaart op. Het kind met de genoemde kaart gaat bij het horen van zijn kaart staan. Het wordt lastiger als je de kinderen een aantal keer van kaart of van plaats laat wisselen.

Stapelspel:

Nodig: -

Begin met de zin: 'Ik ga naar ... en ik zie...' en voeg hier steeds iets aan toe.

Het volgende kind herhaalt de zin, jouw toevoeging en noemt zelf ook weer een woord.

Zo gaat de zin de kring rond en wordt steeds langer. Lukt het de groep om de hele kring rond te gaan en alle genoemde dieren te onthouden?


Pipa-Papegaai:

Nodig: Een handpop van een papegaai.

Pipa papegaai zegt rijtjes woorden (3-5) of zinnen (4-7 woorden) op die de kinderen moeten nazeggen. Gebruik de woorden van de woordenlijst en/of woordkaarten bij het thema.

Auditieve discriminatie

Spel: Wie heeft het woord?

Nodig: Woordkaarten, passende bij het thema.

Ieder kind heeft een woordkaart in de hand. De leerkracht verzint een verhaal met de woorden op deze woordkaartjes. Zodra hij/zij een woord noemt wat bij iemand op het kaartje staat, moet diegene het kaartje in de lucht steken.


Reactiewoord:

Nodig: -

Noem een heleboel woorden, passende bij het thema, op.

De kinderen mogen iedere keer gaan staan als ze het woord ... horen.

Rijmen

Zelf rijmwoorden bedenken:

Nodig: -

Laat de kinderen rijmwoorden verzinnen.

Gebruik de woorden van de woordenlijst en/of woordkaarten bij het thema.


Rijmhoed/kroon/bal (of ander voorwerp):

Nodig: Hoed of kroon, een bal, of een ander voorwerp passende bij het thema.

Laat een voorwerp/hoed of bal door de kring rondgaan en noem daarbij een woord.

Het kind rijmt op dit woord en geeft het voorwerp of de hoed door of rolt de bal naar een ander kind dat ook een rijmwoord weet. Ga door tot de kinderen geen rijmwoorden meer weten en zeg dan een nieuw woord.

Lang en kort

Lange en korte woorden:

Nodig: Zet twee mooi versierde dozen in de kring, een grote doos en een kleine doos. Verzamel enkele voorwerpen behorende bij het thema.

Laat één van de voorwerpen aan de kinderen zien en vraag hen het woord in klankgroepen te klappen. Vraag de kinderen of het woord lang of kort is. De korte woorden (voorwerpen) worden in de kleine doos gelegd en de lange woorden (voorwerpen) in de grote doos.

Leg eventueel kleine blokjes bij de dozen die het aantal klankgroepen aangeven, bijvoorbeeld één blokje bij de kleine doos en twee of meer blokjes bij de grote doos.

Kunnen de kinderen de voorwerpen of afbeeldingen ook op de juiste volgorde leggen, van de kortste naar de langste?


Het langste woord:

Nodig: -

Noem steeds twee woorden op. Horen de kinderen welk woord het langste is?

Gebruik de woorden van de woordenlijst en/of woordkaarten bij het thema.


Zinnen maken:

Nodig: -

Geef de kinderen een woord en laat ze er een zin mee bedenken.

Gebruik de woorden van de woordenlijst en/of woordkaarten bij het thema.


Een zin langer maken:

Nodig: -

De leerkracht start met een aantal woorden van een zin. De kinderen maken de zin langer.

Bijv. Ik ga …, Hij is ….

Analyse/synthese

Woorden hakken:

Nodig: Woordkaarten of voorwerpen, passende bij het thema.

Klap de woorden op de woordkaarten, in lettergrepen en laat de kinderen raden welk woord het is. Gebruik hier alleen de klankzuivere woorden voor. Laat de kaarten daarna bij het juiste aantal leggen. Dit kunnen bijvoorbeeld dopjes of cijferkaarten zijn (of houd het simpeler en laat ze sorteren op lange of korte woorden). Draai het ook eens om en vraag om een kaart waarbij je twee keer moet klappen.


Wat/wie is het?

Nodig: Leg een aantal voorwerpen (korte woorden) in de kring.

Zeg één van de woorden in losse klanken, de kinderen raden om welk voorwerp het gaat.

Variatie: Ik zie ik zie wat jij niet ziet, het is een.... bijv. b-l-o-k. Het kind zoekt vervolgens het voorwerp in de klas en brengt het mee. Lukt dit goed, dan wordt de oefening alleen auditief aangeboden, dus zonder het voorwerp te halen. Moeilijker: Ik zie, ik zie wat jij niet ziet.

Het is blauw en het heeft 3 klappen. Kunnen de kinderen raden wat dit is?

Of neem iemand uit de klas in gedachten en zeg bijvoorbeeld: zijn naam heeft 2 klappen. Ra ra wie is dat?


Harry Hak en Pietje Plak:

Nodig: De handpoppen Harry Hak en Pietje Plak.

Harry hak heeft woorden in stukjes of letters gehakt.

De kinderen helpen Pietje Plak om ze weer aan elkaar te plakken.

Gebruik de woorden van de woordkaarten bij het thema.

Draai de rollen ook eens om en laat de kinderen Harry Hak helpen om de woorden in letters of lettergrepen of de zinnen in woorden te hakken, klappen, stappen of springen.

Klanken

Een beginklank verkennen:

Nodig: -

Neem een beginklank, bijvoorbeeld de letter van de week. Schrijf deze letter op een vel papier en verken de klank. Hoe klinkt deze? Kun je de klank maken met je neus dicht en met je mond dicht? Hoe ziet je mond er eigenlijk uit wanneer je deze klank maakt?

Wat gebeurt er als je deze klank bij een spiegel maakt of tegen een raam (misschien ontstaat er een waas?). Kunnen de kinderen de letter met hun handen of zelfs met hun hele lichaam maken? Maak hier een foto van voor de lettertafel / lettermuur.

Maak een web van woorden met de k.

Ik zie, ik zie...:

Nodig: -

Ga in de klas op zoek naar voorwerpen met een bepaalde beginklank en verzamel ze.

Verzamel ze op een lettertafel.

Variatie: Speel het spel 'Ik zie, ik zie wat jullie niet zien en het begint met de letter ...

Beginlank benoemen:

Nodig: Woordkaarten of voorwerpen, passende bij het thema.

Laat een woordkaart, behorende bij dit thema, zien en horen. De kinderen benoemen de beginklank. Je kunt dit eenvoudiger maken door de keuze te beperken en te vragen:

Begint het wel met de “K” of niet? Of noem een beginklank en laat de kinderen een woordkaart zoeken die daarbij hoort.

Vraag de kinderen ook eens welke klank zij achteraan horen.

Liggen er voorwerpen of afbeeldingen in de kring die met dezelfde letter beginnen?

Leg deze bij elkaar. Hebben we kinderen in de klas waarvan de naam met die letter begint?


Een letterdoos:

Nodig: Verander een doos in een … (dier/persoon) en snijd er een gat uit voor de mond.

Leg er plaatjes bij die wel/niet beginnen met de letter/beginklank die je in de klas hebt aangeboden.

De kinderen mogen het ... eten geven. Ze geven hem de plaatjes die wel met de beginklank/letter beginnen.


Reactiespel:

Nodig: -

Noem een rijtje letters achter elkaar op.

De kinderen moeten gaan staan als ze de letter … horen.


Bedenk een naam:

Nodig: Afbeeldingen van een personage of dier, passende bij het thema.

Bied een letter aan. Geef elk kind een afbeelding en laat ze een naam voor hun personage/dier bedenken. De naam moet met de afgesproken klank beginnen.

Schrijf de namen op de afbeeldingen en laat de kinderen de afgesproken letter onderstrepen. Noem vervolgens namen die wel of niet met de afgesproken klank beginnen. Als de naam met die klank begint laten de kinderen hun personage/dier een beweging maken. Als de naam niet met deze klank begint, blijven de personages/dieren stil zitten.

Variatie: De kinderen bedenken een naam die met zelfde klank begint als hun eigen naam. Noem daarna een naam op. Met welke klank begint deze naam? Van welk kind kan die zijn?


Samen een versje maken

Nodig: -

Bedenk een heleboel woorden die met dezelfde letter beginnen. Kunnen de kinderen hier een leuk (onzin)versje van maken? Schrijf de leukste versjes op!

Wie weet waar Willem Wouters woont?

Willem Wouters woont wijd weg.

Bas bouwt binnen met blokken.

Woeste Willen weet wel waar Wies woont

Jantine jaagt Joep weg.

Dik das doet dom.


De detective:

Nodig: -

De leerkracht heeft een letter in het hoofd. De kinderen mogen ja/nee vragen stellen. Kunnen de kinderen in maximaal 10 vragen ontdekken welke letter het is?


Welus/nietus:

Nodig: -

De leerkracht noemt een letter. Vervolgens noemt de leerkracht een woord.

Zit de letter in dit woord? Dan mogen de kinderen op hun stoel gaan staan.

Zit de letter niet in het woord, dan gaan of blijven de kinderen zitten.


Wat is het?

Nodig: Voorwerpen met verschillende beginletters.

Eén kind verlaat de klas. In het midden van de kring liggen een aantal voorwerpen.

Spreek er eentje af. Met welke letter begint deze? De kinderen zeggen de letter van het bewuste voorwerp als het kind binnen komt. Weet het kind welk voorwerp hij/zij moet pakken. Moeilijker: Met een blinddoek en voelen.

Eerste/middelste/laatste

Een letterslang:

Nodig: Stroken papier, een stift.

Maak met de kinderen een slang van woorden. Begin bijv. met het woord ...

Vraag de kinderen welke klank je bij ... achteraan hoort. Bedenk samen een woord dat met deze klank begint, bijvoorbeeld ... Vraag de kinderen wat de laatste letter van ... is en bedenk een woord dat met de ... begint. Schrijf de woorden op een lange strook papier, zodat de kinderen kunnen zien dat de eind- en beginklank telkens hetzelfde zijn. Ga door tot de kinderen geen woorden meer weten of maak de opdracht moeilijker door bijv. af te spreken dat het bijv. alleen dierennamen mogen zijn.


Een letter/woordenrups:

Nodig: -

Noem steeds een woord met drie letters of een rijtje van drie woorden op.

Wat is de eerste-middelste-laatste letter/het eerste woord?

Gebruik de woorden van de woordenlijst en/of woordkaarten bij het thema.



Hier vind je meer achtergrondinformatie over auditief waarnemen bij kleuters.

Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest!

Heb je zelf ook nog leuke suggesties? Laat dan een reactie achter!

0 keer bekeken

© 2019 by juf Angelique. This website has been designed using resources from Freepik.com