Zoeken

Het Kleurenmonster: Auditief

Bijgewerkt: 2 dagen geleden


In deze blog geef ik je lessuggesties om de auditieve ontwikkeling van jonge kinderen bij het thema Het Kleurenmonster te stimuleren.



Geluid


Tik, tik, wie ben ik??

Je hebt nodig:

-

Een kind is Het Kleurenmonster, hij ligt te slapen in zijn holletje. Hij heeft zijn ogen dicht.

Een ander kind klopt op zijn rug en zegt: Tik, tik wie ben ik?


Waar is Het Kleurenmonster?

Je hebt nodig:

-

De kinderen zitten in een grote kring, op de grond. In het midden staat een kind met een blinddoek voor. Eén kind, “Het Kleurenmonster”, loopt buiten de kring rond en maakt geluid (bijv. boos rond stampen). Het kind in het midden van de kring blijft wijzen naar het geluid. Wanneer de leerkracht “stop Kleurenmonster!” zegt, blijft het “Kleurenmonster” staan en het kind met de blinddoek mag kijken of het de goede kant op wijst.


PLOF!

Je hebt nodig:

- Een Kleurenmonster

Speel dit spel bij voorkeur in tweetallen.

Het ene kind laat het Kleurenmonster vallen en het andere kind kijkt goed.

Precies als het Kleurenmonster de grond raakt, stampt het kind boos op de grond.


Waar denk je aan?

Je hebt nodig:

-

Vraag de kinderen de ogen te sluiten en laat een geluid horen, bijvoorbeeld:

  • De deur die hard open en dicht gaat

  • Je vlakke hand die over de kast schuift

  • Een bureaulade die open en dicht gaat

  • Een blok die valt

  • Het stampen van je voeten

  • Een kraan die opengaat

De kinderen openen hun ogen en vertellen aan welke emotie/welk Kleurenmonster zij dachten toen ze het geluid hoorden. Het is dus niet de bedoeling dat ze het geluid raden, maar dat ze aangeven waar het geluid hen aan deed denken.


Tekenen op muziek:

Je hebt nodig:

- Een vel papier

- Tekenmaterialen

Laat de kinderen een blij, droevig, boos of eng muziekstuk horen en tijdens het muziekstuk iets tekenen wat daarbij past. Waar doet de muziek ze aan denken?

Probeer hier niet in te sturen en de verbeelding van de kinderen te stimuleren.

Alles mag! Bekijk de tekeningen en benoem de verschillen.

Auditief geheugen


BOEM!

Je hebt nodig:

- 3 tot 5 afbeeldingen van Kleurenmonsters.

Speel in de kring het spelletje “BOEM”. Leg 3-5 verschillende kleurenmonsters of afbeeldingen ervan in de kring en stuur 1 kind even naar de gang.

In de kring wordt afgesproken bij wel voorwerp er “BOEM” mag worden geroepen.

De kleuter in de gang komt terug en wijst de voorwerpen aan en gaat zo op zoek naar het voorwerp dat “BOEM” zal opleveren.


Reeksen herhalen:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

Oefen het auditief geheugen van de kinderen door bijvoorbeeld twee, drie, vier of vijf woordkaarten van dit thema hardop te benoemen, laat de kinderen deze reeks woorden vervolgens herhalen en daarbij de genoemde kaarten in de juiste volgorde neerleggen.


Welk woord is er niet genoemd?

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

Leg een reeks van een aantal woordkaarten van dit thema neer en noem er eentje niet op. Welk woord heb je niet gehoord? Wijs het aan!


Spel: Welk woord heb jij?

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

De kinderen bestuderen hun kaart en leggen deze daarna omgekeerd onder hun stoel. Noem nu steeds een kaart op.

Het kind met de genoemde kaart gaat bij het horen van zijn kaart staan.

Het wordt lastiger als je de kinderen een aantal keer van kaart of van plaats laat wisselen.


Boos roepen:

Je hebt nodig:

-

Zeg een woord alsof je boos bent en laat de kinderen dit woord herhalen.

Breid dit uit naar zinnen. Bijvoorbeeld: Weg!, Boos! Kwaad! Woest! Woedend! Wegwezen! Stop, hou op! Jij doet naar, bekijk het maar! Laat me met rust! Ik ben boos op jou!

Ga weg, ik wil jou niet meer zien! Ik wil niet meer met jou spelen!


Zinnen nazeggen:

Je hebt nodig:

- Twee Kleurenmonsterpoppen.

Het ene Kleurenmonster is nog in zijn huisje, de andere buiten. Het Kleurenmonster roept zinnen door de brievenbus van het huisje en het andere Kleurenmonster zegt ze na.

→ Zinnen van 4- 7 woorden (groep 1):

Ik voel me geel

Ik ben heel blij

Ik ben woedend

Kom je ook buiten spelen?

→ Zinnen van 7 – 10 woorden (groep 2):

Ik ben klein beetje in de war

Ik ben gevallen en nu voel ik me blauw

Ik moet huilen want ik ben verdrietig

In mijn hangmat word ik heel kalm


Het ontbrekende woord:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

Zeg twee maal dezelfde reeks woorden op, maar laat de tweede keer een woord weg.

Horen de kinderen welk woord je hebt weggelaten? Bijvoorbeeld:

  • rood - geel - blauw - zwart / rood - geel - ... - zwart

Auditieve discriminatie


Spel: Wie heeft het woord?

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

Ieder kind heeft een woordkaart, behorende bij dit thema, in de hand. De leerkracht verzint een verhaal met de woorden op deze woordkaartjes. Zodra hij/zij een woord noemt wat bij iemand op het kaartje staat, moet diegene het kaartje in de lucht steken.


Reactiewoorden:

Je hebt nodig:

-

Zeg steeds een rijtje woorden op. Steeds als de kinderen het woord rood horen klappen zij in hun handen. Bijvoorbeeld:

  • Rood blauw geel rood rood zwart roze blij bang rood groen rood.


Reactieletter:

Je hebt nodig:

-

Neem de letter van de week, bijv. de K van Kleurenmonster

Noem steeds een reeks letters. Steeds als de kinderen de letter K horen klappen ze. Bijvoorbeeld:

  • K - D - B - K - O - A - K - S- K - K- R - U - K.


Hetzelfde woord in twee zinnen:

Je hebt nodig:

-

Zeg steeds twee zinnen met hetzelfde woord erin.

Horen zij hetzelfde woord in twee zinnen? Bijvoorbeeld:

  • Het Kleurenmonster is verdrietig - Als ik me verdrietig voel, dan huil ik

  • Het Kleurenmonster slaapt - Het Kleurenmonster gaat nar school


Kleurenmonster zegt...:

Je hebt nodig:

-

Een variant op het commando-spel! Zeg: Kleurenmonster zegt… springen!

Alle kinderen springen. Maar pas op: als je geen ‘Kleurenmonster zegt’ dan moeten ze juist niet doen wat je zegt! Zeg bijvoorbeeld: Kuikentje zegt… zwaaien!

Alle kinderen die dan toch zwaaien zijn ‘af’. Zij moeten even zitten (een beurt overslaan) en mogen later weer meedoen. Lekker veel bewegen!

Springen, zwaaien, wiebelen, draaien, dansen, boksen, strooien, etc.

Rijmen


Zelf rijmwoorden bedenken:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

Laat de kinderen rijmwoorden verzinnen bij de woordkaarten van dit thema.

Kies bij voorkeur voor eenlettergrepige woorden.


Zinnen afmaken:

Je hebt nodig:

-

De kinderen maken rijmzinnen af. De zin wordt langzaam voorgelezen.

Het laatste woord moeten de kinderen aanvullen. Bijvoorbeeld:

  • Het Kleurenmonster hoort iets op de gang en is nu een beetje ...

  • Het Kleurenmonster is heel blij met een vriendje zoals ...

  • Het Kleurenmonster viert feest, hij is nog nooit zo blij ...

  • Het is tijd, nu opgelet, Het Kleurenmonster moet nu echt uit …

  • Het Kleurenmonster blijft maar gapen laat me toch nog even …

  • Het Kleurenmonster wast zijn gezicht en handen daarna poets hij zijn…

Laat de kinderen ook eens zelf rijmzinnen maken.


Rijmkroon:

Je hebt nodig:

- Een Kleurenmonsterkroon.

Geef een Kleurenmonsterkroon de kring rond. Vraag de kinderen op woorden te rijmen.

Wie een rijmwoord weet, krijgt de muts op en noemt zijn rijmwoord.


Rijmen met het Kleurenmonster

Je hebt nodig:

- Een afbeelding van een hangmat, een potje geel, groen, zwart, rood, blauw, paars, wit, bruin,

- Fiches of vouwrondjes

- Een Kleurenmonsterknuffel.

Leg een route van het kleurenmonster naar de hangmat met steeds 5 fiches of vouwrondjes tussen de afbeeldingen. Vertel de kinderen dat dit de route is die het Kleurenmonster aflegt om naar de hangmat te komen. Steeds wanneer hij een rijmwoord bij de afbeelding die hij tegenkomt kan verzinnen mag hij een fiche of vouwrondje verder.

Bijv. Rood: poot-noot-stoot-groot-dood. Vervolgens komt Het Kleurenmonster bij het volgende plaatje waarop hij moet rijmen. Lukt het hem om naar de overkant te komen? Schrijf de rijmwoorden evt. op de vouwcirkels en de afbeeldingen. Kinderen zien dan dat bij rijmen de achterkant van een woordje steeds hetzelfde blijft, maar dat het begin verandert. Het Kleurenmonster loopt de route ook weer terug, maar nu moeten de kinderen raden waar hij staat. Bv. Het Kleurenmonster liep heel gauw naar het potje ...


Ren je rot rijmspel:

Je hebt nodig:

- Afbeeldingen van rijmwoorden

Leg de afbeeldingen verspreid door je lokaal, de speelzaal of op het speelplein.

Noem een woord en laat de kinderen als een Kleurenmonster naar het juiste rijmwoord rennen. Mocht je het spel met een groep kinderen spelen, laat hen elkaar dan opdrachten geven: ‘Wat rijmt er op geel?’ De andere kinderen rennen naar de afbeelding van het rijmwoord. Het kind dat de opdracht heeft gegeven, controleert of het rijmwoord goed is. Daarna wordt er van beurt gewisseld.


Een versje bekijken:

Je hebt nodig:

- Een Kleurenmonsterversje op een groot vel papier

- Een stift

De kinderen vinden een versje. Dit versje wordt gezamenlijk nog eens gelezen.

Vervolgens vraagt de leerkracht of de kinderen woordjes horen die rijmen.

De rijmwoorden worden onderstreept. Wat zien de kinderen bij deze woorden ? Rijmwoorden hebben dezelfde letters op het eind. Vraag de kinderen nog meer rijmwoorden bij deze woorden te bedenken. Deze woorden worden onder elkaar genoteerd. Telkens wordt gekeken of er dezelfde letters zijn en waar die staan.


Twister:

Je hebt nodig:

- Een twister spel

- Woordkaarten, passende bij het thema.

Twister bestaat uit een speelkleed en een draaischijf. De draaischijf heeft een verdeling met kleuren en lichaamsdelen: rechterhand, linkerhand, rechtervoet, linkervoet. Je draait de schijf en ziet nu op welke kleur je welk lichaamsdeel moet plaatsen. Je mag nu niet meer loslaten, maar moet later wel weer een ander lichaamsdeel verplaatsen. Je kunt dit spel op verschillende manieren spelen: opdrachten voor de hele groep of voor een enkel kind.

Dit spel is een variatie op het Twister spel. Bevestig woordkaartjes op de gekleurde stippen.

Geef nu deze opdracht: zet je (draai de draaischijf) op een woord dat rijmt op….

Analyse/synthese


Maak de zin af:

Je hebt nodig:

-

Zeg een zin met één woord in stukjes. De kinderen raden wat er gezegd wordt. Bijvoorbeeld:

  • Het monster stopt rood in zijn p-o-t

  • Het Kleurenmonster stampt, hij is b-oo-s

  • Het Kleurenmonster ligt in zijn hangmat te genieten van de z-o-n.

Een vervolg activiteit hierop kan zijn; alleen het losse woord herkennen.


Lange en korte woorden/zinnen:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

Hak de woorden op de woordkaarten en sorteer ze op lange-korte woorden, bijv. bij een afbeelding van een lang en kort Kleurenmonster.

Bied ook eens twee zinnen aan. Horen de kinderen welke het langste is? Bijvoorbeeld:

  • Het Kleurenmonster huilt - Het Kleurenmonster huilt tranen met tuiten.


Woorden hakken en plakken:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

- Dopjes of getalkaarten

Klap de woorden op de woordkaarten, in lettergrepen en laat de kinderen raden welk woord het is. Gebruik hier alleen de klankzuivere woorden voor. Laat de kaarten daarna bij het juiste aantal leggen. Dit kunnen bijvoorbeeld dopjes of getalkaarten zijn (of houd het simpeler en laat ze sorteren op lange of korte woorden).

Draai het ook eens om en laat de kinderen de lettergrepen weer verbinden tot woorden of vraag om een kaart waarbij je bijv. twee keer moet klappen.


Zinnen verdelen in woorden:

Je hebt nodig:

- Groot vel papier

- Stift

- Blokjes en /of hoepels

Zeg zinnen en laat de kinderen evenveel blokjes neerleggen of stappen zetten (leg bijv. hoepels neer en laat ze van hoepel naar hoepel gaan).

Schrijf de zin daarna op en laat de kinderen de zin verdelen in woorden. Bijvoorbeeld:

  • Het Kleurenmonster huilt

  • Het Kleurenmonster is in de war

  • Mijn hartje voelt rood enz...


Klanken springen:

Je hebt nodig:

- Drie hoepels

Zeg steeds een woord dat bestaat uit drie klanken en laat een kind in de hoepels springen, terwijl hij de klanken benoemt. Wissel af en toe ook van rol, laat het kind woorden met drie klanken bedenken en spring dan zelf.

Woorden die je zou kunnen gebruiken: r-oo-d, g-ee-l, b-l-ij en b-oo-s.

Gaat het goed, gebruik dan meer hoepels en langere woorden.


Hak, ren en plak:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten, passende bij dit thema (bestaande uit 1 lettergreep)

Verdeel de kinderen in duo’s. Kind 1 start bij het startpunt, ander kind staat bij tussenpunt.

Op de route naar het tussenpunt kun je ook nog wat beweegmoeilijkheden toevoegen om het extra spannend te maken (een bank, hoepel, blokjes enz...).

Kind 1 pakt bij het startpunt een kaartje met een woordkaart, bekijkt hem en rent naar kind 2 bij het tussenpunt. Kind 1 laat de kaart niet zien maar mag zelf wel nog een keer kijken.

Hij hakt vervolgens het woord in klanken. Kind twee plakt de woorden vervolgens tot een woord en zegt het woord. Is het goed? Kind 1 laat dan de afbeelding zien.

Kind twee rent met de afbeelding naar het startpunt en hakt het woord voor de leerkracht. Na goedkeuring rent leerling twee naar het beginpunt en start het proces weer opnieuw.


Potjes met emoties:

Je hebt nodig:

- Kleurenmonsters of gekleurde potjes

- Teldopjes

Zet de verschillende kleuren Kleurenmonsters in de kring.

Neem een teldopje en vertel de kinderen aan welk Kleurenmonster je deze gaat geven.

Zeg dit woord in losse klanken of klankgroepen, bijv. r-oo-d.

De kinderen geven het teldopje vervolgens aan het juiste Kleurenmonster.


Onder het tabblad "Geletterdheid/Auditief" op deze website vind je meer achtergrondinformatie over auditief waarnemen bij kleuters.

Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest Heb je zelf ook nog leuke suggesties?

Inspireer dan collega’s door jouw ideeën als reactie op deze blog te delen!



1,384 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven