Zoeken

Het Kleurenmonster: Taal

In deze blog vind je suggesties voor taalontwikkeling rondom Het Kleurenmonster.

Woordenschat

Woordveld:

Nodig: Papier, stift.

Wat weten de kinderen al over emoties? Maak samen een woordveld om de kennis te activeren. Werk gedurende het thema verder vanuit dit woordveld.

Schrijf de woorden op een vel papier. Welk lidwoord hoort ervoor?

Laat de kinderen zinnen bij de woorden bedenken en klap de woorden.

Maak tekeningen bij de woorden, plak er afbeeldingen bij of laat de kinderen deze er zelf bij maken. Hang het woordveld op. Herhaal moeilijke woorden gedurende de week om de woordenschat uit te breiden.


Afbeeldingen combineren met echte voorwerpen:

Nodig: Woordkaarten/afbeeldingen.

Laat de kinderen voorwerpen bij woordkaarten/afbeeldingen zoeken om er nog meer betekenis aan te geven.

Spel: Mag ik van jou?

Nodig: Geef ieder kind een woordkaart.

Zorg ervoor dat ze dit kaartje goed zichtbaar voor hun buik houden, zodat iedereen het plaatje kan zien. Herhaal zo nodig aan het begin even alle woorden bij de plaatjes, zodat iedereen weer weet, wat zijn of haar woord is. Eén kind heeft geen kaartje.

Dat kind vraagt ... (naam), mag ik van jou…(het woord)?”

Nu stelt het kind zonder kaartje en ander kind een soortgelijke vraag.

Gaat dit spel klassikaal goed, dan kun je het ook in kleinere groepjes spelen, zodat de kinderen sneller aan de beurt zijn.

Kritisch luisteren

Spel: Wie/wat ben ik? (Variatie 1):

Nodig: Woordkaarten

Neem een woord in gedachten en omschrijf dit, de kinderen raden.

De kinderen mogen 10 ja/nee vragen stellen. De leerkracht beantwoordt deze.

Later kan een kind in gedachten nemen en mag de klas ja/nee vragen stellen.

Spel: Wie/wat ben ik? (Variatie 2):

Nodig: Woordkaarten en een hoofdband.

Je kunt ook een woordkaart op een hoofdband (bijv. die uit het gezelschapsspel "Wie ben ik?") bevestigen en het kind die deze hoofdband op heeft door middel van vragen erachter laten komen wat er op de woordkaart staat

Spel: Wie/wat ben ik? (Variatie 3):

Nodig: Woordkaarten

Vraag een leerling even naar de gang te gaan en spreek met de groep een woord af.

Daarna komt de leerling terug de klas in en geeft de groep aanwijzingen zonder het woord te zeggen.

Spel: Wie/wat ben ik? (Variatie 4):

Nodig: Voorwerpen, een mand.

Stop voorwerpen behorende bij dit thema in een mand en omschrijf ze één voor één en/of laat de kinderen dit doen. De andere kinderen raden vervolgens om welk voorwerp het gaat. De voorwerpen die geraden zijn, worden in de kring gelegd.

Spel: Wie/wat ben ik? (Variatie 5):

Nodig: Woordkaarten.

Eén kind zit op de stoel van de juf/meester. De leerkracht houdt een afbeelding of voorwerp boven dit kind, zodat de klas het kan zien, maar het kind zelf niet. De klas geeft het kind op de stoel omschrijvingen. Kan het kind raden wat/wie hij/zij is? Of het kind stelt de klas vragen en de klas mag alleen met ja en nee antwoorden.

Zinsbouw

Zinnen bedenken:

Nodig: Woordkaarten.

Laat de kinderen een zin bedenken bij het woord op een woordkaart, behorende bij dit thema.


Woordkaarten bij dit thema, die van pas kunnen komen bij sommige van deze activiteiten, vind je hier.


Hier vind je meer achtergrondinformatie over taal bij kleuters.

Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest!

Heb je zelf ook nog leuke suggesties? Laat dan een reactie achter!




0 keer bekeken

© 2019 by juf Angelique. This website has been designed using resources from Freepik.com