Zoeken

Het Kleurenmonster: Taal

Bijgewerkt: 2 dagen geleden

In deze blog vind je suggesties voor taalontwikkeling rondom Het Kleurenmonster.



Woordenschat en zinsbouw


1. Kiezen en aanbieden:

Maak eerst een keuze welke woorden je gedurende je thema gaat aanbieden.

Kies ongeveer 15 basiswoorden en biedt daarbij de lidwoorden aan.

Bied niet alleen voorwerpen aan, maar ook gerelateerde werkwoorden.

Bedenk voordat je start aan een thema ook welke woorden je op welke dag/welke week je gaat aanbieden. Na de woordkeuze is het belangrijk om doelgericht de woorden aan te gaan bieden. Activeer daarbij eerst de voorkennis.

Activiteiten die daarbij mogelijk zijn:



In de kring:


Een woordveld:

Je hebt nodig:

- Vel papier

- Een stift.

Activeer de voorkennis en vergroot de woordenschat van de kinderen met behulp van een woordveld. Wat weten de kinderen al over het Kleurenmonster? Laat ze bijvoorbeeld in tweetallen nadenken over woorden die bij het thema horen en vertellen wat ze bedacht hebben. Laat ze ook beredeneren waarom ze vinden dat het woord erbij hoort.

Werk gedurende het thema verder vanuit dit woordveld. Schrijf de woorden op een vel papier. Welk lidwoord hoort ervoor? Je kunt hiervoor ook de woordkaarten bij het thema gebruiken.

Laat de kinderen zinnen bij de woorden bedenken en klap de woorden.

Maak tekeningen bij de woorden, plak er afbeeldingen bij of laat de kinderen deze er zelf bij maken. Hang het woordveld op. Herhaal moeilijke woorden gedurende de week om de woordenschat uit te breiden. Variatie: Maak een groot kleurenmonster en hang daar gekleurde linten aan. Bij ieder lint hang je de woorden die bij die groep horen.

Bijv. bij het rode lint alle woorden die gaan over de kleur rood of de emotie boos.


Mindmappen:

Je hebt nodig:

- Een woordveld

- Een aantal hoepels.

Een mindmap is een techniek om je gedachten en denkpatronen in beeld te brengen.

De onderlinge relaties en aspecten worden zo duidelijk.

Je kunt de woordkaarten, maar bijvoorbeeld ook een prentenboek als uitgangspunt nemen.

Laat de kinderen nadenken over welke woorden bij elkaar in een hoepel moeten komen te liggen of spreek al een categorie af en laat de kinderen daar woorden bij zoeken.

Vraag steeds na waarom kinderen deze keuze maken.

Druk de woorden met afbeeldingen nogmaals af en laat de kinderen tijdens de werkles in tweetallen nog eens met de mindmap aan de slag gaan of geef ze juist de opdracht om een compleet nieuwe mindmap te maken. Bekijk meer voorbeelden van mindmappen met kleuters op de website: mindmappen met kleuters


Een digitale mindmap:

Je hebt nodig:

- Maak gebruik van een mindmap app, zoals iMindMap kids.

Zorg dat je van te voren verschillende plaatjes op je computer hebt staan die te maken hebben met het prentenboek of onderwerp. Wanneer je de iPad aansluit op het digibord kun je alle kleuters mee laten kijken.




2. Betekenis geven:

Vervolgens is het belangrijk dat je de betekenis van het woord duidelijk maakt.

Activiteiten die daarbij mogelijk zijn:



In de kring:


Afbeeldingen combineren met echte voorwerpen:

Je hebt nodig:

- Voorwerpen

- Woordkaarten, passende bij dit thema.

Laat de kinderen voorwerpen bij woordkaarten/afbeeldingen van het Kleurenmonster zoeken om er nog meer betekenis aan te geven.

Neem bijvoorbeeld voorwerpen uit het boek. Zet ze daarna op de thematafel.


Betekenis geven aan woorden:

Je hebt nodig:

- Midden in de kring staat een kist met spullen die te maken hebben met het Kleurenmonster. Neem bijvoorbeeld spullen die in het boek voorkomen.

De spullen worden uitgedeeld aan tweetallen.

Zij bespreken samen waar de spullen voor nodig zijn. Dit delen ze in de kring.


Welke hoort er (niet) bij?

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

Noem steeds een rijtje woorden. Kunnen de kinderen vertellen waarom deze bij elkaar horen? Bijv. rood-geel-blauw-groen

Rood, slaan, schreeuwen, stampen

Geel, zon, feest, lachen. Enz...

* Variatie: Welk woord hoort er niet bij? Zet er een woord tussen die er niet bij past.


Woorden clusteren:

Je hebt nodig:

-

Cluster de woorden in een woordkast, woordparaplu of een woordtrap. Welke woorden horen bij elkaar en waarom? Het is een aanrader om deze woordclusters zichtbaar op te hangen, zodat het woord elk moment van de dag in beeld blijft en er meerdere keren per dag aandacht aan kan worden geschonken. Maak de woorden die die dag centraal staan zichtbaar door een poster ervan op te hangen: "Het woord van de dag'.


Goed of fout?:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten, passende bij dit thema

Jij vertelt iets over de woordkaart, passende bij het thema. Als dit waar is, mogen de kinderen gaan staan. Vertel jij iets wat helemaal niet klopt, dan blijven de kinderen zitten.

Voorbeelden:

Het gele kleurenmonster is boos - fout

Het gele kleurenmonster is blij - goed



3. Inoefenen:

Nadat je woorden expliciet hebt aangeboden is het net zo belangrijk om de woorden en de betekenis ervan gedurende het thema via verschillende activiteiten herhaaldelijk goed in te oefenen. Ze zullen dan beter beklijven. Er zijn veel verschillende activiteiten mogelijk, zoals:



In de kring:


Spel: Wie/wat ben ik?

Je hebt nodig:

- Woordkaarten, passende bij dit thema

- Een hoofdband

- Een mand

- Echte voorwerpen

- Plakband

- Wasknijpers

Neem een woord in gedachten en omschrijf dit, de kinderen raden.

De kinderen mogen 10 ja/nee vragen stellen. De leerkracht beantwoordt deze.

Later kan een kind in gedachten nemen en mag de klas ja/nee vragen stellen.

* Variatie 1:

Leg de woordkaarten met de afbeeldingen naar beneden op tafel.

Plaats een hoedenstrook op je hoofd, pak zonder te kijken één woordkaart van tafel en bevestig deze met een knijper vast op de hoed. Vertel de kinderen dat zij niet mogen verklappen welk dier jij straks op je hoed zet, omdat jij gaat proberen dit te raden. Stel gesloten vragen aan de kinderen waar zij alleen met hun duim omhoog of hun duim naar beneden op mogen reageren. Op deze kan iedereen meedenken en meedoen. Je ziet ook meteen wie het spel begrijpen en wie het nog lastig vinden. Doordat jij degene bent met de hoed op, leren de kinderen veel van de gesloten vragen die jij stelt. Stel vooral vragen met ‘Heb ik…’, ‘Ben ik…’, ‘Kan ik…”. Wanneer je dit een aantal keer hebt gespeeld, is een goede vervolgstap een kind op jouw stoel plaats te laten nemen. Zet een kaartje vast op de hoedenstrook en laat het kind nu de vragen stellen.

* Variatie 2:

Vraag een leerling even naar de gang te gaan en spreek met de groep een woord af.

Daarna komt de leerling terug de klas in en geeft de groep aanwijzingen zonder het woord te zeggen.

* Variatie 3:

Stop voorwerpen behorende bij dit thema in een mand en omschrijf ze één voor één en/of laat de kinderen dit doen. De andere kinderen raden vervolgens om welk voorwerp het gaat. De voorwerpen die geraden zijn, worden in de kring gelegd.

* Variatie 4:

Eén kind zit op de stoel van de juf/meester. De leerkracht houdt een afbeelding of voorwerp boven dit kind, zodat de klas het kan zien, maar het kind zelf niet. De klas geeft het kind op de stoel omschrijvingen. Kan het kind raden wat/wie hij/zij is? Of het kind stelt de klas vragen en de klas mag alleen met ja en nee antwoorden.

* Variatie 5:

Dit spel speel je in tweetallen. Plak met plakband of bevestig met een wasknijper bij ieder kind een woordkaart achterop de rug. Ieder kind moet nu raden wat hij/zij is.

Laat de kinderen door elkaar lopen en door middel van een hand omhoog-tweetal een maatje vinden om een vraag aan te stellen. De vragen mogen alleen met ja of nee beantwoord worden. Om snelheid in het spel te houden, kun je zorgen voor meerdere kaartjes. Zo kan ieder kind meteen weer meespelen als het kaartje geraden is.


Rara, welk woord zoek ik?

Je hebt nodig:

- Een woordveld

Gebruik de woorden op het woordveld. Omschrijf er eentje aan de hand van een raadsel. Weten de kinderen welk woord er wordt bedoeld?

Laat ze zelf ook een woord kiezen en omschrijven.


Spel: Mag ik van jou?

Je hebt nodig:

- Geef ieder kind een woordkaart, passende bij dit thema.

Zorg ervoor dat ze dit kaartje goed zichtbaar voor hun buik houden, zodat iedereen het plaatje kan zien. Herhaal zo nodig aan het begin even alle woorden bij de plaatjes, zodat iedereen weer weet, wat zijn of haar woord is. Eén kind heeft geen kaartje.

Dat kind vraagt ... (naam), mag ik van jou…(het woord)?” Nu stelt het kind zonder kaartje en ander kind een soortgelijke vraag. Gaat dit spel klassikaal goed, dan kun je het ook in kleinere groepjes spelen, zodat de kinderen sneller aan de beurt zijn.


Raad het plaatje

Je hebt nodig:

- Woordkaarten, passende bij dit thema.

Een kind pakt een kaartje met hierop het themawoord. Hij/zij tekent dit woord.

De andere kinderen proberen het woord zo snel mogelijk te raden.


Ik zie, ik zie...:

Je hebt nodig:

- De spullen op de thematafel

Speel het spelletje. "ik zie, ik zie, wat jullie niet zien en het is (bijv. rood)"


Sta op als...

Je hebt nodig:

- Een woordkaart voor ieder kind, passende bij dit thema.

Deel de kaarten uit en benoem ze. Zeg daarna: Sta op als je een ... hebt.

Houd het tempo daarbij hoog en laat de kaarten regelmatig doorgeven, zodat ze een andere kaart hebben.


Trefwoord:

Je hebt nodig:

- Een verhaal, waarin het aangeboden woord meerdere keren voorkomt.

Lees het verhaal voor. Steeds wanneer de kinderen een aangeboden woord horen klappen, springen of stampen ze. Stel ook vragen over het verhaal.


Een versje:

Je hebt nodig:

- Een versje, waarin het aangeboden woord voorkomt.

Bied het versjes aan en bedenk een beweging, die de kinderen kunnen maken, steeds wanneer ze het aangeboden woord horen.


Zinnen bedenken:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten, passende bij dit thema

Laat de kinderen een zin bedenken bij het woord op een woordkaart, behorende bij dit thema.


Zinnen langer maken:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten, passende bij dit thema.

Geef de kinderen het begin van een zin en laat ze de zin langer maken.

Bijvoorbeeld:

  • Het Kleurenmonster zegt...

  • In het potje zitten...

  • Het Kleurenmonster voelt ...

  • Het Kleurenmonster eet...

  • Het Kleurenmonster kijkt...


Zelf een verhaal verzinnen

Je hebt nodig:

- Neem een woordkaart of een prentenboek.

De kinderen bedenken er zelf een verhaal bij.

Gebruik je een prentenboek?

Lees dit niet voor! Laat wel de platen zien. De klas gaat het verhaal nu zelf bedenken.

Wat zien de kinderen? Wat gebeurt er allemaal? Hoe zou het verder gaan? etc.


Dobbel een verhaal:

Je hebt nodig:

- Een dobbelsteen

- Een dobbelkaart

Laat de kinderen een verhaal dobbelen. Zorg voor een dobbelkaart waarop bij elk aantal ogen steeds een personage (bijv. het gele, rode, groene, zwarte, roze en blauwe Kleurenmonster), plaats en gebeurtenis staat. Laat de kinderen 3x met de dobbelsteen gooien. De eerste keer gooien ze voor een personage. Gooi je bijv. 5 dan neem je de personage dat bij 5 vermeld is. De tweede keer gooi je voor een plaats waar het verhaal zich gaat afspelen. De derde keer gooi je voor een gebeurtenis waar het hele verhaal om draait. Soms kunnen dit hele lachwekkende combi’s zijn, een andere keer is de combi vergezocht maar kan er toch een heel leuk verhaal uit ontstaan. De kinderen bedenken het verhaal.

Zo kunnen er verrassende verhalen ontstaan en mogen de kinderen de details zelf invullen.



Tijdens de speel-/werkles:


SNAP!

Je hebt nodig:

- Woordkaarten, passende bij dit thema (4 van ieder)

Speel het spel "Snap" (spreek uit als 'snep') in viertallen.

Zorg steeds voor vier dezelfde woordkaarten. Schud ze en verdeel ze in dichte stapels over de vier spelers. De eerste speler legt een kaart neer en zegt hoe het woord heet.

De volgende speler legt zijn kaart erop en benoemt deze ook. Als het dezelfde kaart is, dan wint hij ze allebei. Wie weet de meeste kaarten te bemachtigen?


Halli Galli:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten van het Kleurenmonster

- Een bel

Sla op de bel wanneer iemand de kaart met … neerlegt.


Twister:

Je hebt nodig:

- Een Twister spel

- Kleurenmonsterplaatjes

Er mogen 4 deelnemers klaar gaan staan voor het Twisterkleed.

Eén van de deelnemers die er naast staan te wachten, draait de wijzers op de draaischijf rond. De begeleider bij het spel vertelt op welk Kleurenmonster de deelnemers mogen gaan staan met handen of voeten. Bijv. rechterhand op het blauwe Kleurenmonster etc.

Degene die het langst kan blijven staan, heeft gewonnen.


Duo:

Je hebt nodig:

- Print de woordkaarten, passende bij dit thema twee maal uit en sorteer ze over twee stapels.

Leg er van elk duo eentje open op de tafel. Een kind trekt een kaart van de stapel en omschrijft wat hij ziet. De andere spelers gaan op zoek naar de juiste kaart.

Degene die die kaart vindt mag beide kaarten houden.


Tekenen/knutselen:

Je hebt nodig:

- Teken- of knutselspullen

Maak een knutsel of een tekening bij de aangeboden woorden.


Een verteltafel:

Je hebt nodig:

- Een verteltafel

Richt een verteltafel in, waar de kinderen een verhaal kunnen naspelen, waarin de aangeboden woorden voorkomen.


Voorwerpen in de hoeken:

Je hebt nodig:

- Voorwerpen van woorden, die zijn aangeboden.

Leg allerlei echte voorwerpen in de hoeken, die bij de aangeboden woorden horen.

Zo kunnen de kinderen spelenderwijs hun woordenschat uitbreiden.



In de gymzaal of buiten:


Ren-je-rot:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

Speel het spel 'Ren-je-rot'. Hang de woordkaarten op en laat de kinderen zo snel mogelijk naar het aangeboden woord rennen.


Emoties gooien:

Je hebt nodig:

- Een gekleurde prop papier of pittenzakken

- Woordkaarten

- Een koord

Geef de kinderen een gekleurde prop papier of pittenzakken en hang door de klas de woordkaarten op. Laat de kinderen de prop gooien naar…



4. Controleren:

Tenslotte controleer je spelenderwijs of de leerlingen de woorden en de betekenis actief kennen. Activiteiten die daarbij mogelijk zijn:



In de kring:


De bom!

Je hebt nodig:

- Een keukenwekker

- Het woordveld.

Hoeveel woorden van het woordveld kunnen de kinderen opnoemen voordat de keukenwekker afgaat?


Zoek het woord!

Je hebt nodig:

- Voor ieder kind een woordkaart, passende bij het thema

Deel de woordkaarten uit.

Geef een kind nu de opdracht: Zoek de woordkaart met daarop een...


Flitsen:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

Flits de woordkaarten. De kinderen moeten zo snel mogelijk roepen wat ze daarop zien.


Bingo:

Je hebt nodig:

- Bingokaarten met woorden uit het thema

Speel bingo met de woordkaarten.

Spreekwoorden


Spreekwoorden:

Je hebt nodig:

-

Er zijn ook spreekwoorden over gevoelens en kleuren. Wat zijn dat spreekwoorden?

Kennen de kinderen de volgende spreekwoorden?

Met bonzend hart - bang zijn

Mijn hart klopt in mijn keel - Ik ben bang

Tranen met tuiten huilen - Heel hard huilen

Van ruilen komt huilen - Houd wat je hebt, anders krijg je er misschien spijt van.

Dubbel liggen van het lachen - Erg hard moeten lachen

Hij lacht als een boer die kiespijn heeft - Lachen om iets wat je eigenlijk niet leuk vindt

Uit je slof schieten - Boos worden

Gauw op je teentjes getrapt zijn - Snel boos worden

Het zwarte schaap zijn - Anders zijn

Zo zwart als roet - Heel erg zwart

Groene vingers hebben - Goed met bloemen en planten om kunnen gaan

Iemand groen licht geven - Iemand toestemming geven

Op deze website vind je nog meer spreekwoorden over emoties en kleuren.


Onder het tabblad "Geletterdheid" op deze website vind je meer achtergrondinformatie over taal bij kleuters.

Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest

Heb je zelf ook nog leuke suggesties? Laat dan een reactie achter!


.




1,145 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven