Zoeken
  • Juf Angelique

Kleuters en ruimtelijke inzicht

De basis voor de ontwikkeling van de ruimtelijke inzicht wordt gevormd door de ervaringen met het eigen lichaam. Kennis van het eigen lichaam is immers nodig om je eigen plaats in de ruimte te kunnen bepalen. In deze blog vertel ik je meer over de ontwikkeling van het ruimtelijk inzicht bij kleuters.



Ruimtelijk inzicht


Geholpen door een toename van motorische vaardigheden, gaat een kind de ruimte om zich heen steeds meer verkennen. Het gaat daarbij enerzijds om de werkelijke ruimte (het huis, het klaslokaal enz.) en anderzijds om de verkleinde ruimte, die wordt gecreëerd bij het spelen met kleine voorwerpen (auto's en poppetjes). Op deze manier gaat het relaties leggen tussen zichzelf en elementen van de ruimte. Het eigen lichaam is de basis van waaruit de relatie tussen kind en omgeving wordt begrepen.

Dit wordt ook wel de egocentrische ruimte genoemd.


Later leert een kind relaties leggen tussen de driedimensionale elementen die zich in de ruimte bevinden, zonder er zelf bij betrokken te zijn. Hij kan dan de ruimtelijke posities ten opzichte van elkaar benoemen zonder daarbij te verwijzen naar het eigen lichaam.

Deze ruimte heet de geocentrische ruimte.


Nog later leert het kind ook verbanden te leggen tussen objecten in het platte vlak.

Dat houdt in dat hij niet alleen in staat is om de ruimtelijke verhoudingen tussen plaatjes waar te nemen, maar ok dat hij onderscheid kan maken tussen figuur en achtergrond, hetgeen bijvoorbeeld bij het inkleuren van een kleurplaat goed te zien is.

Dit noem je de tweedimensionale ruimte.


 

De ontwikkeling van het ruimtelijk inzicht


In de praktijk zie je dat de beginsituaties van kleuters op het gebied van ruimtelijke oriëntatie veel kunnen verschillen. De ene kleuter die net op school komt heeft al veel meer ruimtelijke vaardigheden dan de andere.


Om te observeren waar het kind ergens in zijn/haar ontwikkeling staat is het gebruik van leerlijnen een handig hulpmiddel en houvast.

Deze leerlijnen zijn als het ware de wegen waar langs de ontwikkeling verloopt.

Op die leerlijnen bevinden zich verschillende mijlpalen of tussenstations.

Dit zijn vaste herkenningspunten, die aangeven of de ontwikkeling van een kind in de pas loopt met de gangbare ontwikkeling. In de praktijk blijkt overigens vaak dat de ontwikkeling van kleuters niet altijd zo stapsgewijs en gelijk aan de leerlijnen verloopt.

Soms slaan kinderen mijlpalen over en soms blijven ze wat langer in een bepaalde ontwikkelingsfase hangen om vervolgens weer een grotere sprong te maken.

De ontwikkeling van een kleuter verloopt namelijk niet lineair, maar met sprongen.


Observaties vinden bij voorkeur plaats tijdens vrije activiteiten die voor het kind betekenisvol zijn. Denk hierbij aan activiteiten in de bouw/-constructiehoek, met ontwikkelingsmaterialen en in de lees/-schrijfhoek.


Peuters:

Peuters vanaf drie jaar kunnen met hun eigen lichaam ruimtelijke begrippen toepassen (bijv. "Spring maar over de bank").

Ze maken daarbij nog geen onderscheid tussen naar links en naar rechts.


Tussen 4 en 4,6 jaar:

In deze fase is de kennis van ruimtelijke begrippen niet meer louter gerelateerd aan het eigen lichaam. Het kind past bij het spelen met verkleinde voorwerpen, zoals wereldspelmateriaal, spontaan ruimtelijke relaties toe en verwoordt die ook. ("Ik zet het autootje naast het huis"). Het begrip ruimte is nu minder subjectief (vanuit het lichaam) bepaald, maar nog wel gebonden aan activiteiten in het driedimensionale vlak.

Het bouwen en nabouwen van ruimtelijke constructies is nu goed mogelijk.


Tussen 4,6 en 5 jaar:

In deze fase neemt de belangstelling voor verkleinde voorwerpen in het platte vlak toe. Mozaïekfiguren en puzzels worden herkend en nagemaakt en eenvoudige vormen als een cirkel, vierkant, driehoek en rechthoek worden goed nagetekend.

Het kind is nu ook in staat om datgene wat zichtbaar is in het platte vlak na te maken in het driedimensionale vlak (bijv. het nabouwen van een schematisch tweedimensionaal voorbeeld, waarop alles zichtbaar is).

Ook het omgekeerde (eenvoudige driedimensionale voorstellingen weergeven in het platte vlak) is nu mogelijk (bijv. tekenen wat je gebouwd hebt).

Tussen 5 en 5,6 jaar:

In deze fase neemt de vaardigheid in het opnemen en verwerken van informatie in het platte vlak sterk toe en worden ruimtelijke relaties steeds beter begrepen.

Voorzetsels als op, in, naast, tussen, uit worden nu in passieve en actieve zin gebruikt.

Een kind doorziet nu ook de voor- en achtergrond op een plaatje.

Bij het zelf tekenen lukt dit nog niet.


Tussen 5,6 en 6 jaar:

In deze fase worden de begrippen "links" en "rechts", zowel passief als actief, op het eigen lichaam toegepast. Niet alleen datgene wat zichtbaar is in afbeeldingen, maar ook datgene dat niet of deels is weergegeven kan nu worden nagemaakt met driedimensionaal materiaal.

Bovendien kan een kind nu ruimtelijke begrippen in combinatie toepassen (bijv. "Wijs op het plaatje het jongetje aan dat voor het kleinste huis staat").


Tussen 6 en 6,6 jaar:

In deze fase ontwikkelt een kind geleidelijk aan ook meer gevoel voor richting. Dit manifesteert zich bijvoorbeeld bij het gebruik van de begrippen "links" en "rechts".

In eerste instantie kan het kind deze begrippen toepassen vanuit het eigen lichaam. Vervolgens leert het kind deze begrippen ook aan te wijzen vanuit het eigen lichaam in relatie tot objecten (bijv. "Leg het boek maar links van je").

Vervolgens wordt het ook mogelijk om deze begrippen toe te passen, waarbij het eigen lichaam niet meer het vertrekpunt is (bijv. "Zet de auto maar rechts van het huis")

Pas nog later lukt het, door zich te verplaatsen in de ander, om deze begrippen ook op dingen buiten zichzelf toe te passen (bijv. "Leg jouw rechterhand op mijn linkerknie")

Het kind moet daarvoor ook kunnen spiegelen.

Kinderen kunnen in deze fase op het platte vlak werken en eenvoudige plattegronden lezen.


Het is wel belangrijk om bij de interpretatie van de ontwikkeling van de ruimtelijke oriëntatie, de invloed van de basiskenmerken, betrokkenheid en risicofactoren niet uit het oog te verliezen. Meer hierover lees je in mijn blog: Hoe kleuters zich ontwikkelen

Deze gegevens geven namelijk een indicatie of een kind lekker in zijn vel zit en zijn een voorwaarde om tot ontwikkeling te kunnen komen.

Wanneer het bij een kind aan deze basiskenmerken schort, dan zal dit dus ook terug te vinden zijn in lagere ontwikkelingsscores bij de ontwikkelingslijnen voor de ruimtelijke oriëntatie en waarschijnlijk ook bij een of meerdere andere ontwikkelingsaspecten.

 

Een beredeneerd aanbod


Een beredeneerd rekenaanbod maak je op basis van deze ontwikkelingslijnen.

Deze geven richting aan het rekenen in de kleuterperiode, doordat ze aangeven waar je naar toe werkt aan het eind van groep 2. Kies per periode (bijvoorbeeld van vakantie naar vakantie) een aantal subdoelen, die aansluiten op de vorige periode, zodat er een doorgaande lijn en een breed, gevarieerd aanbod ontstaat.


Als duidelijk is welke doelen en inhouden aan bod moeten komen, ga je kijken welke activiteiten daar bij passen. Houd daarbij wel rekening met het gegeven dat jonge kinderen anders leren an een schoolkind. Spel is voor hen erg belangrijk. Door te spelen krijgen jonge kinderen grip op de wereld om hen heen en ook het leren doen ze spelen en handelend.

Zorg ook voor succeservaringen. Het leerplezier en zelfvertrouwen van kinderen nemen toe, als ze merken dat ze het kunnen. Betrek ouders erbij en deel je doelen. Hang bijvoorbeeld een doelenposter op of verspreid de rekendoelen via de website of nieuwsbrief. Geef ouders ook suggesties om thuis op een speelse manier te werken aan de doelen.

 

Downloads

 

Op zoek naar meer?


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest

Heb je zelf ook nog leuke suggesties? Laat dan een reactie achter!






27 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven