Zoeken
  • Juf Angelique

Regen: Muziek (kring)

Bijgewerkt op: 29 apr.

In deze blog vind je muzikale kringactiviteiten bij het thema regen.


Liedjes


Het regent:

 

Zingen


Algemeen:

  • Voor het aanleren van een nieuw lied is aandachtig luisteren belangrijk. Laat de kinderen bijvoorbeeld opstaan steeds als ze een bepaald woord horen en vervolgens weer gaan zitten als ze dit woord weer horen. Hoeveel keer hebben de kinderen het afgesproken woord in het liedje gehoord?

  • Vraag de kinderen uit te beelden wat ze in een liedje horen. Je kunt de kinderen vrij laten uitbeelden of je kan op basis van wat er bedacht wordt een gezamenlijke dans bedenken die de hele groep meedoet.

  • Hang pictogrammen op met daarop de belangrijkste woorden uit het aangeboden lied in de goede volgorde.

  • Deel de pictogrammen uit. Als kinderen het bijbehorende woord in het lied horen, dan steken zij deze omhoog.

  • De kinderen zingen alleen de laatste (rijm)woorden mee.

  • De kinderen zing alleen het laatste deel van iedere zin mee.

  • Alleen de jongens/meisjes zingen mee.

  • (Om en om) hard en zacht zingen.

  • (Om en om) langzaam en snel zingen.

  • (Om en om) hoog en laag zingen.

  • De leerkracht playbackt, de kinderen zingen het liedje hardop.

  • Om de beurt een regel zingen. Wijs aan wie de beurt heeft. Begin steeds opnieuw zodat alle kinderen aan de beurt komen.

  • Wie durft het alleen?


Geluiden en klanken:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

Gebruik allerlei geluiden en klanken die je bij regen kunt bedenken om de stem wakker te maken. Dat kan met de stem, bodypercussie of met instrumenten).

Wijs vervolgens de woordkaarten aan, waarbij je een geluid hebt gemaakt een voor een of meerdere tegelijk om het extra uitdagend te maken. De kinderen maken dan het geluid dat past bij dat plaatje of bij die plaatjes.


Zingen met emotie:

Je hebt nodig:

- Emotiekaartjes.

Laat de kinderen bij elke zin uit het aangeboden lied een andere emotie zien.

De kinderen zingen die regel vervolgens met de emotie die wordt getoond.

Je kunt hier een raadspel van maken. Jij of een kind zingt een bekend lied met een bepaalde emotie. De rest raadt welke emotie het is. Verzin samen met de kinderen ook eens andere manieren van zingen en maak er kaartjes van (bijvoorbeeld deftig, zo langzaam als een slak, zo snel als een haas enz.).


De dirigent:

Je hebt nodig:

- Een stokje

Alle kinderen staan in de kring. Een kind is de dirigent en staat in het midden.

Wanneer dit kind iemand aanwijst dan mogen de kinderen zelf weten hoe ze het woord regen zeggen (toonhoogte, hard, zacht, interval). Als dit doorgaat wijst de dirigent verschillende kinderen aan, die pas weer stoppen met het noemen van hun naam als ze weer een keer worden aangewezen.


Liedje:

Je hebt nodig:

-

Zeg de tekst van een liedje zin voor zin. Bedenk welke woorden met de R-klank van Regen (of een andere) beginnen. Probeer het liedje te zingen zonder deze woorden uit te spreken of start met één woord dat wordt weggelaten en breid dit later uit.


Liedjesmand/-kist:

Je hebt nodig:

- Een mand

- Attributen, die bij het aangeleerde liedje horen

Doe de attributen in de mand en gebruik deze om een liedje te visualiseren

* Variatie: Stop 1 attribuut per aangeleerd liedje in de mand. Op die manier kun je steeds een attribuut kiezen en het bijbehorende liedje herhalen.


Liedjesmap:

Je hebt nodig:

- Een map

- Een kopie van het aangeleerde liedje, met afbeeldingen

Doe het aangeleerde liedje in de map. Op die manier wordt de verzameling steeds groter en kun je de aangeleerde liedjes regelmatig herhalen. Je kunt de liedjes ook kopiëren en aan de kinderen meegeven.


De volumeknop:

Je hebt nodig:

-

Zing samen een lied. Zet de volumeknop laag/uit. De kinderen zingen in zichzelf door.

Zet de volumeknop daarna weer hoger/aan. Gaat iedereen op dezelfde plek door met hardop zingen?


Overal regen:

Je hebt nodig:

-

Het regent. Tik ergens tegenaan. Je geeft de regen daarna door aan degene die naast je staat en zo gaat hij de hele klas door.


Improviseren:

Je hebt nodig:

-

De kinderen zingen op de melodie van een bestaand lied, bijvoorbeeld "Het regent", een nieuwe tekst in een zelfbedachte taal. Het gaat erom dat de kinderen binnen het lied improviseren met eigen woordklanken.

  1. Zing eerst het oorspronkelijke lied met de kinderen. Gebruik een instrumentale begeleiding. Die vind je voor de meeste kinderliedjes op YouTube.

  2. Vraag de kinderen zich voor te stellen dat iemand uit een heel ver land dit lied in zijn eigen taal zingt. Geef aan dat jullie dit samen gaan proberen.

  3. Speel de instrumentale versie van het liedje af en laat de kinderen het lied in een zelf verzonnen vreemde taal meezingen.

  4. Doe dat op dezelfde manier in ‘dierentaal’, ‘feeëntaal’ of laat de kinderen zelf nog andere ‘talen’ verzinnen.


Neurien:

Je hebt nodig:

- Laat de kinderen het aangeboden lied neuriën. Dat is een goede resonan oefening.


Toontje hoger: Je hebt nodig:

-

Er kan prima aan de stembanden worden gewerkt door een fragment uit het liedje te halen en in dit fragment laat u dan met de toonhoogte variëren. Het liedfragment kan bijvoorbeeld steeds een toontje hoger worden gezongen. Zing het fragment voor en laat de kinderen het daarna nazingen.


Een paraplu doorgeven:

Je hebt nodig:

- Een paraplu

Laat de kinderen tijdens het liedje een paraplu doorgeven, die voor het einde van het lied weer bij de leerkracht moet zijn. Kinderen ontwikkelen zo gevoel voor 'hartslag van de muziek', het puls gevoel.


Kiekeboe!

Je hebt nodig:

- Een afbeelding van een regendruppel

Als de regendruppel verdwijnt, dan verdwijnt ook het geluid en stoppen de kinderen met zingen en gaat de leerkracht verder. Als het weer verschijnt, dan gaan ze weer verder met zingen. Zo kan je ze stukjes laten zingen die ze al kennen, maar de zinnen die nog te moeilijk zijn zelf zingen.

 

Muziek luisteren


De paraplu:

Je hebt nodig:

- Een paraplu (of een zonnebril)

- Muziek

De kinderen staan in een kring. Een van de kinderen heeft een paraplu vast.

Als de muziek speelt wordt de paraplu doorgegeven. Stopt de muziek, dan is het kind met de paraplu af. Speel het spel tot er één kind over is.



Een paraplu doorgeven:

Je hebt nodig:

- Een paraplu (of een zonnebril)

Laat de kinderen tijdens een liedje/muziekje een paraplu doorgeven, die voor het einde van het lied weer bij de leerkracht moet zijn. Kinderen ontwikkelen zo gevoel voor 'hartslag van de muziek', het puls gevoel.


Waar is de regen?

Je hebt nodig:

- De ritmestokjes

Vraag de kinderen om hun ogen dicht te doen. Sluip naar een plek in het lokaal en laat daar de ritmestokjes een keer horen. De kinderen wijzen met hun ogen dicht in de richting van het geluid. Geef daarna het instrument eens aan een kind.

* Variatie: Maak het moeilijker met meerdere instrumenten tegelijk. Vraag vervolgens bijvoorbeeld: Waar is de trommel (de donder)? Waar zijn de stokjes (de regen)?


Ritmes:

Je hebt nodig:

- Een slaginstrument

Het regent. Speel een aantal verschillende ritmes voor.

Dit kan op een slaginstrument, maar ook met je lijf (klappen, stappen, op je borst slaan, klakken met je tong, knippen met je vinger, tikken op je wang enz.)

Laat de kinderen het ritme van de regen nadoen.

Bij het gebruik van bodysounds: Laat de kinderen na een paar keer met hun rug naar je toe staan. Kunnen zij de verschillende bodysounds onderscheiden en nadoen?

Geef daarna een kind eens de leiding.

* Variatie: Kunnen ze het naklappen met hun ogen dicht?

* Variatie: Klap een bekend liedje mee of na. Laat de kinderen raden welk liedje het is.

* Variatie: Verdeel allerlei namen of themawoorden in klankgroepen. Klap deze in de maat. Maak de rij steeds groter en ondersteun dit met afbeeldingen.

 

Muziek maken


De regenbui:

Je hebt nodig:

-

Met bodypercussie kun je een regenbui nadoen: zachtjes beginnen, tot een climax brengen met donderslagen en weer voorbij laten gaan.

Knip met de vingers (regendruppels), steeds sneller en harder.

Klap dan in de handen, de regendruppels worden groter, tempo en volume nemen toe.

Of de bui wordt geleidelijk harder als de kinderen in groepjes of een voor een mee gaan doen. Het weer kan ook plotseling veranderen als ze allemaal tegelijk doorgaan naar het volgende geluid. De regenbui komt tot haar climax: het gaat onweren.

In een wave stampen een paar kinderen op de grond, terwijl de regen doorgaat.

Wanneer de donderslagen voorbij zijn, wordt het langzaam weer droog. Gebruik dezelfde stappen als bij het opkomen van de regen, maar dan in omgekeerde volgorde.


Hoe klinkt de regen?

Je hebt nodig:

- Strook papier

- Potlood

Noem iets dat bij het thema past, bijvoorbeeld: de regen, de zon of de donder.

Vraag de kinderen te bedenken hoe dit klinkt.

Dit doen ze door een geluid te maken met hun eigen lichaam of een voorwerp of een instrument uit het lokaal te gebruiken. Geef de kinderen ook eens een strook papier, waarop ze mogen noteren hoe het klinkt en laat ze hun notatie spelen.


Ritme klappen:

Je hebt nodig:

-

Laat de kinderen het ritme van het aangeleerde liedje klappen, met zang en zonder zang.

Je kunt een ritme visueel maken met streepjes (lang en kort) of bijvoorbeeld met grote en kleine duploblokjes. Iedere kleur kan dan ook nog een ander instrument voorstellen.


Ritmeopdracht met ...:

Je hebt nodig:

- Afbeeldingen van regendruppels

Leg de regendruppels op een rij neer en klap het ritme dat ontstaat: Verander het ritme door de regendruppels verder en dichter bij elkaar te leggen.

Bijv. OO OO OOOO O O OOOO OOO OOO O O O OOOO

* Variatie: Gebruik de woordkaarten bij dit thema en laat de kinderen de lettergrepen spelen of klappen.

 

Op zoek naar meer?


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest

Heb je zelf ook nog leuke suggesties?

Inspireer dan collega’s door jouw ideeën als reactie op deze blog te delen!



6 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven