top of page
Zoeken
  • Foto van schrijverJuf Angelique

Onderzoekend leren

Bijgewerkt op: 11 feb.

Kleuters zijn geboren ontdekkers en onderzoekers. Ze willen de wereld begrijpen en stellen vragen over van alles om hen heen. Met onderzoekende en ontwerpende activiteiten geef je ruimte aan die natuurlijke Nieuwsgierigheid en stimuleer je hun onderzoekende houding.

Bij ontwerpend leren mogen kinderen zelf dingen verzinnen, maken, proberen en ontdekken en is er veel ruimte voor eigen inbreng. Ontwerpend leren maakt van kinderen creatieve denkers en probleemoplossers, die buiten de gebaande paden en alle kanten op kunnen en durven denken. Het eindresultaat is van tevoren onbekend.

In deze blog lees je hoe je kleuters uitnodigt en uitdaagt om dieper en verder te denken.

Hoe laat je kinderen eigen ideeën ontwikkelen, hoe laat je ze luisteren naar en werken met anderen en vooral: hoe laat je kinderen denken over het leren zelf?



Leerspieren


Om effectief te kunnen leren is het belangrijk dat een kind:

  • Zich bewust is van zijn eigen leren

  • Zijn/haar eigen sterktes of zwaktes herkent in het leren

  • Verantwoordelijkheid (eigenaarschap) neemt voor het eigen leren

Dit kun je kinderen uitleggen door te vertellen dat een mens leerspieren heeft.

Die leerspieren kun je trainen, je hebt er invloed op. Door te trainen en te oefenen kun je ze leren leren. Je hebt in totaal zeven leerspieren. Deze leerspieren zijn natuurlijk geen echte spieren. Het gaat om denken en gedrag. Uit onderzoek is gebleken dat denken en gedrag namelijk cruciaal zijn als het gaat om leren en jezelf ontwikkelen. De metafoor van de leerspieren kun je inzetten om het denken en gedrag van kinderen positief te stimuleren.

Bij jonge kinderen is het helpend om deze leerspieren te visualiseren, bijvoorbeeld in de vorm van een dier die deze leerspier symboliseert.


Je hebt de volgende leerspieren:


1. Ontwikkelen:

Door deze spier te trainen ga je meer in jezelf geloven en krijg je meer controle over hoe je leert. Deze leerspier zou je bij jonge kinderen bijvoorbeeld kunnen symboliseren door middel van een rups.


2. Reflecteren:

Door deze spier te trainen ga je het steeds gemakkelijker vinden om naar je eigen manier van leren te kijken en dit te organiseren. Deze leerspier zou je bij jonge kinderen bijvoorbeeld kunnen symboliseren door middel van een uil.



3. Verbinden:

Door deze spier te trainen ga je inzien hoe dingen die je leert met elkaar verbonden zijn. Het zal je helpen om dingen beter te snappen. Deze leerspier zou je bij jonge kinderen bijvoorbeeld kunnen symboliseren door middel van een spin.



4. Doorzetten:

Door deze spier te trainen ga je merken dat je kunt doorzetten, ook als het tegenzit.

Deze leerspier zou je bij jonge kinderen bijvoorbeeld kunnen symboliseren door middel van een schildpad.


5. Samenwerken:

Door deze spier te trainen ga je het gemakkelijker vinden om met en van anderen te leren.

Deze leerspier zou je bij jonge kinderen bijvoorbeeld kunnen symboliseren door middel van een bij.


6. Ontwerpen:

Door deze spier te trainen ga je het leuk vinden om met ideeën te spelen en je fantasie te gebruiken tijdens het leren. Deze leerspier zou je bij jonge kinderen bijvoorbeeld kunnen symboliseren door middel van een aap.

7. Vragen stellen:

Door deze spier te trainen ga je merken dat je vragen wilt stellen en zelf dingen wilt uitzoeken. Deze leerspier zou je bij jonge kinderen bijvoorbeeld kunnen symboliseren door middel van een kat.

 

Wat is onderzoekend leren?


Zelf op onderzoek uit en de wereld ontdekken: kinderen doen eigenlijk niet anders.

Het is dan ook heel eenvoudig om kinderen enthousiast te krijgen voor een project onderzoekend leren. Onderzoekend leren is een manier van lesgeven waarbij de vragen van de kinderen centraal staan in het leerproces. Na een inhoudelijke verkenning van het thema bedenken kinderen zelf vanuit nieuwsgierigheid een onderzoeksvraag.

Ze voeren het onderzoek uit om het antwoord op hun vraag te vinden.

De leerkracht ondersteunt de kinderen bij dit proces.


Onderzoekend leren biedt het veel ruimte voor leren vanuit nieuwsgierigheid.

Binnen een thema kiezen kinderen zelf waar ze meer over willen leren.

Leren vanuit nieuwsgierigheid is verbonden met hogere intrinsieke motivatie, hogere leerprestaties en het makkelijker opslaan van nieuwe informatie in het geheugen.

Een kind dat nieuwsgierig is, is gemotiveerd om te leren. Ook zorgt nieuwsgierigheid ervoor dat informatie beter onthouden wordt.

Daarnaast stimuleert onderzoekend leren de ontwikkeling van diverse vaardigheden zoals: onderzoek vaardigheden, hogere orde denkvaardigheden en algemene vaardigheden zoals observeren, samenwerken en presenteren.

Ook bevordert de ervaring met onderzoek doen een onderzoekende houding bij kinderen. Ze leren hoe (wetenschappelijke) kennis tot stand komt en ontwikkelen een kritische houding. Ten slotte kunnen kinderen hun inhoudelijke kennis vergroten.

 

Hoe creëer je een onderzoekend klimaat?


Een onderzoekende houding bestaat uit zes componenten:

  1. Willen weten

  2. Willen begrijpen

  3. Innovatief zijn

  4. Kritisch zijn

  5. Willen delen

  6. Willen bereiken

De inhoudelijke leeropbrengst van onderzoekend leren hangt wel af van de manier waarop de leerkracht onderzoekend leren en de begeleiding vormgeeft.

Cruciaal daarin is de manier waarop de leerkracht de kinderen begeleidt tijdens het onderzoeksproces. Wanneer kinderen nauwelijks tot geen begeleiding krijgen tijdens onderzoekend leren, leren zij minder dan door directe instructie.

Met adequate begeleiding is onderzoekend leren wel effectief en vergroot het de inhoudelijke kennis. Dit geldt ook voor de ontwikkeling van de onderzoek vaardigheden: passende instructie van de leerkracht helpt om deze ontwikkeling te versnellen.

Je hoeft overigens niet continu onderzoekend te leren.

Afwisseling van onderzoekend leren met andere didactiek geeft een optimaal leerresultaat.

Uiteindelijk is de kwaliteit van het onderzoekend leren en de begeleiding van de leerkracht belangrijker voor het leerresultaat dan de kwantiteit.


Reden genoeg om als leerkracht de kinderen nieuwsgierig te maken. Maar hoe kun je dit eenvoudig inbouwen in je lessen? Ik geef je een paar tips:


Om nieuwsgierigheid te stimuleren is het belangrijk dat er een veilige sfeer in de klas is, dat er vragen gesteld mogen worden en dat ieders mening gewaardeerd en gerespecteerd wordt.


In de basis is kennis nodig van de didactiek van onderzoekend leren. Hoe ziet het onderzoeksproces eruit? Wanneer is een vraag een goede onderzoeksvraag?

Wat is een conclusie? Bij onderzoekend leren draait het erom dat kinderen zelf antwoord vinden op hun vraag. Dat betekent echter niet dat kinderen volledig vrij aan de slag gaan. Als leerkracht denk je met de kinderen mee over hun aanpak, geef je advies en help je de kinderen waar nodig op weg, zodat ze zelf verder kunnen. Je kijkt mee hoe het proces van onderzoeken en ontdekken verloopt en bepaalt wat nodig is om de groepjes verder te helpen. De leerkracht stelt zich dus op als procesbegeleider of coach, die niet direct de antwoorden geeft, maar die met de kinderen in gesprek gaat of hulpmiddelen inzet.


Neem in ieder geval de tijd om spel en onderzoek te ontwerpen en voor te bereiden.

Bedenk uitdagende en leuke activiteiten, die het het midden houden tussen overweldigend en saai. Ontwerp open opdrachten, zodat iedereen er op zijn eigen manier mee om kan gaan. Er zijn immers meer antwoorden goed.


Maak het leren gemeenschappelijk. Creëer een betekenisvolle context waarbinnen kinderen elkaar echt nodig hebben en samen creatieve oplossingen bedenken.

De kinderen gebruiken hun voorkennis en brengen elkaar op ideeën. Help kinderen naar elkaar te luisteren en op elkaar te reageren; het is normaal iets niet te weten.


Maak het leren zichtbaar en hoorbaar. Stel open vragen die kinderen helpen om het denken te vertragen. Laat bijvoorbeeld een afbeelding zien.

  1. Wat zie je? Goed kijken vraagt tijd en concentratie en door deze vraag te stellen geef je kinderen niet alleen de ruimte voor wat vertraging daarbij, maar voorkom je ook dat ze het invullen met vermoedens. Laat de kinderen daarna in tweetallen of kleine groepjes uitwisselen wat ze hebben gezien. Daarna volgt een klassikale uitwisseling. Doe zelf ook mee: ‘Ik zie...’ Dit geeft je niet alleen de mogelijkheid jouw denken te modelen, maar het proces ook een bepaalde richting op te ‘sturen’ als je dat wilt.

  2. Wat vermoed je? Nu kinderen weten wat er allemaal te zien is, wat denken ze dan dat er aan de hand is?’ Laat de kinderen hier weer eerst in stilte over nadenken en hun gedachten daarna uitwisselen in groepjes en klassikaal.

  3. Wat vertelt de afbeelding je niet? Verken in deze stap samen wat je wel zeker en niet zeker weet. Dat is best een lastige vraag voor jonge kinderen. Doe dit dus samen. Benoem nog eens hardop: 'We zien dit.... en we denken dat...'

  4. Welke vragen heb je? Door de voorgaande stappen zorgvuldig langs te gaan, bedenken de kinderen vragen die niet gesteld zouden zijn bij het alleen maar bekijken van de foto en de vraag: ‘Wat wil je nog weten?’


Visualiseer de antwoorden en hang ze op, bijvoorbeeld aan een themawand, en bespreek de noodzaak van deze vragen: `Waarom is het belangrijk dat we antwoorden vinden?' `Welke vragen zijn het belangrijkst?' Rangschik de vragen van heel belangrijk voor ons onderzoek naar minder belangrijk. De uitkomsten van het vervolgonderzoek, maar ook de aanwezige voorkennis, komen ook aan de themawand.


Besteed veel tijd aan de nabespreking. Doordat in de groepjes verschillende antwoorden ontstaan, is het napraten een belangrijk kenmerk. Vraag daarbij niet alleen naar inhoud, maar ook naar proces. Stel steeds met de groep vast wat de relevantie van de opgedane kennis is. Bespreek daarbij ook het leerproces van het kind zelf. ‘Ben je van gedachten veranderd? Waardoor ben je dan van gedachten veranderd? Hoe hielp het samen denken jou? Wat weet je nu meer over jezelf ? En wat weet je over je eigen leren?’ Zo kunnen de kinderen een volgende keer tot betere aanpakken en resultaten komen.


Start en eindig de momenten waarop je met de groep aan het thema werkt steeds bij de themamuur: `Wat gaan we doen? Waarom is dat van belang? Hoe ging het en hoe gaan we morgen verder?' Kortom: zet die leerspieren aan het werk!


Jouw houding heeft grote invloed op die van de kinderen.

Geef daarom het goede voorbeeld: Laat merken dat je zelf ook nieuwsgierig bent naar het thema, de activiteiten en de vragen en laat zien dat je ook niet overal een antwoord op hebt, neem een onderzoekende en kritische houding aan, en waardeer de vragende houding van kinderen. Nieuwsgierigheid werkt aanstekelijk!


Enthousiast geworden? Ga dan samen met je groep op onderzoek uit en laat je verrassen door de vragen waarmee kinderen komen.

 

Ontwerpen in stappen


Kinderen zijn van nature creatieve probleemoplossers, die vaak staan te springen om iemand te helpen en problemen op te lossen. Uit onderzoek is echter gebleken dat onze creativiteit afneemt naarmate we ouder worden. Het is dus erg belangrijk om dit van jongs af aan te stimuleren en te ontwikkelen.


Bij ontwerpend leren is het eindresultaat nog onbekend en is er veel ruimte voor eigen inbreng. Door te ontwerpen, ontwikkel je een andere manier van denken. Je richt je niet op problemen, maar op oplossingen en actie. Kinderen moeten zich bij ontwerpend leren inleven om het probleem te verkennen en te formuleren, buiten de gebaande paden en alle kanten op denken, ideeën verzinnen en selecteren, hun richting bepalen en daarbij het proces gebruiken, concepten durven uitproberen uitwerken en presenteren/delen.

Handig voor nu én later om problemen op te lossen en uitdagingen aan te gaan in een snel veranderende wereld. Zet ontwerpend leren in en je bent op een eenvoudige, creatieve manier volop met techniek bezig.


Hoe zien de stappen van ontwerpend leren er in de praktijk uit?


Stap 1: Een probleem

Doordat ontwerpend leren start vanuit een probleem en is gericht op het verzinnen van oplossingen, is het concreet, relevant en motiverend voor kinderen.

Het probleem is vaak . Toch denkt een kleuter vanuit een probleem vaak niet meteen in oplossingen. Het helpt dus om van het probleem een vraag te maken.

Een ontwerpvraag helpt je om in ideeën te denken.

In deze eerste stap leven de kinderen zich in. Om ervoor te zorgen dat de kinderen zich nog beter inleven, kun je het probleem bijvoorbeeld naspelen.

Blijf de nieuwsgierigheid van de kinderen prikkelen en zoek samen uit hoe het zit.


Prentenboeken bieden vaak geweldige inspiratie om te gaan ontwerpen met kleuters.

Ga in een prentenboek op zoek naar iemand die een probleem of een wens heeft.

Speel daarbij in op de nieuwsgierigheid van de kinderen en laat ze zich inleven in het personage. Hoe zou het personage zich voelen? Hoe zouden we het personage kunnen helpen om zijn probleem op te lossen of zijn wens te vervullen?


Stap 2: Ideeën verzinnen

In de tweede stap verzin je zoveel mogelijk ideeën. Maak de ideeën van de kinderen visueel; teken ze bijvoorbeeld. Als de ideeënstroom opdroogt, kun je inspiratiekaarten introduceren. Deze kaarten met figuren erop inspireren de kinderen om nog meer ideeën te verzinnen. Laat bijvoorbeeld een kaart met een personage erop zien. Hoe zou die het oplossen?

Door te ontwerpen, ontdekken kinderen dat één probleem veel verschillende oplossingen heeft. Ze leren alle kanten op te denken. Hoe meer ideeën je verzint, hoe groter de kans op een originele oplossing. Als eerste ingeving heb je namelijk bijna nooit een bijzonder idee. Dat gebeurt wél als je veel ideeën bedenkt. Vraag een aantal kinderen maar eens om van een vierkant iets te maken. De kans is groot dat veel van hen een huis tekenen.

Vraag je hetzelfde voor een heel blad vol vierkanten, dan krijg je meer bijzondere ideeën.


Stap 3: Het idee uitwerken tot een plan

In de derde stap vraag je elk kind om een idee te kiezen. Alle kinderen werken vervolgens hun gekozen idee uit.

Stap 4: Het idee maken

Dan is het tijd om de ideeën te gaan maken. Voor de vierde stap vul je een materiaaltafel met kosteloos materiaal en knutselmateriaal. Plak stukjes schilders tape aan de randen van de tafel. Dit zorgt ervoor dat de kinderen snel kunnen beginnen met maken.

Laat de kinderen groep voor groep materialen pakken. Vul het schilders tape waar nodig aan en neem bewust even wat afstand. Na een paar minuten ontdek je vanzelf welke kinderen vastlopen. Kijk wat zij nodig hebben. Weet een kind niet waar het moet beginnen met maken? Bekijk dan samen het idee en inspireer hem of haar met materialen die handig kunnen zijn. Stimuleer zoveel mogelijk om gewoon te beginnen met maken.

Bied waar nodig ook handige technieken aan, bijvoorbeeld hoe je materialen aan elkaar kunt vastmaken. Ga met de kinderen in gesprek over wat ze aan het doen zijn.

Vraag ook door. Hoe werkt dit onderdeel?


Stap 5: Testen en aanpassen

In de vijfde stap testen de kinderen hun idee. Het draait hierbij om proberen en kijken.

Wat werkt al goed? Wat werkt nog niet? Dingen die nog niet werken zijn waardevol, want daar kun je van leren. Hoe kun je je idee verbeteren? Veel kinderen worden door het testen vanzelf geprikkeld om hun idee te verbeteren.

Stap 6: Je ontwerp laten zien

In de zesde stap mogen een aantal kinderen hun ontwerp presenteren.

Benoem bij elk ontwerp kort wat handig is, specifiek voor dat ontwerp.

Benadruk dat er veel verschillende ideeën zijn bedacht en gemaakt.

Eén probleem kan op meerdere manieren worden opgelost.

Het is overigens niet nodig om altijd alle stappen te volgen of ze netjes in de juiste volgorde te doen. Ontwerpen kan zo kort of uitgebreid als je zelf wil. Doe bijvoorbeeld eens alleen de eerste twee stappen en rond het ontwerpen af na het verzinnen van ideeën.

Of verzin ideeën door te maken en combineer de tweede en vierde stap.

Kortom: gebruik de stappen van ontwerpend leren als hulpmiddel en benut ze afhankelijk van de beschikbare tijd en de voorkeur van de kinderen.

 

Regels bij het ontwerpen


Om kinderen te stimuleren in hun creatieve denken begin je met het maken van afspraken. De belangrijkste regel bij is dat álles mag. Dat er toch regels nodig zijn klinkt dus een beetje tegenstrijdig...

De meeste kinderen hebben echter al veel aangeleerde schoolse regels in hun hoofd zitten: eerst goed nadenken voor je iets zegt, niet na-apen en netjes werken.

Deze regels belemmeren echter de creativiteit. Speciale regels om extra aandacht te geven aan wat allemaal juist wél mag bij het verzinnen van ideeën geven kinderen dus juist ruimte. Afspraken die je kunt maken om de creativiteit te stimuleren zijn:

  • Alles mag. Vooral ook gekke, wilde en onmogelijke ideeën. Daardoor bedenk je namelijk vaak de beste oplossingen.

  • Niemand lacht uit, iedereen moet alles durven zeggen.

  • Niemand oordeelt. Alle ideeën zijn goed en helpen mee om meer nieuwe ideeën te bedenken.

  • Vertel of noteer echt alle ideeën die in je opkomen, zelfs al denk je dat ze niet kunnen, dat ze raar zijn of niet origineel genoeg. Wie weet is dat rare, stomme idee precies de springplank voor een geweldige oplossing! Pas na het verzinnen van ideeën ga je kijken welke ideeën het probleem oplossen en goed zijn.

  • Verzin zoveel mogelijk ideeën. Hoe meer ideeën je hebt, hoe meer goede ideeën ertussen zitten.

  • Het maakt niet uit van wie een idee in eerste instantie was, alle ideeën zijn van de groep. Iedereen gebruikt elkaars ideeën om meer nieuwe ideeën te bedenken: na-apen mag en is juist heel goed.

  • Het geeft niks als je niet goed kan tekenen, want het gaat om je idee duidelijk maken en niet om een mooie tekening.

  • Geef elkaar complimenten. Vooral voor elkaars ideeën natuurlijk. Dat helpt anderen om hun ideeën aan te durven dragen.

Doe zelf voor hoe het moet. Teken gekke, wilde ideeën, combineer ideeën en geef complimenten.

 

Een ontwerphoek


Richt ook eens een ontwerphoek in.

Denk hierbij aan speelfiguren en allerlei knutselmaterialen, zoals: karton, lege verpakkingen, papieren bekers, rietjes, stof, ijslollystokjes enz. Bied daarnaast schilders tape aan in plaats van plakband en lijm. Schilders tape is ideaal als je ontwerpt, omdat je het kunt scheuren en erop kan schrijven. Volg daarna het volgende stappenplan.

  1. Een probleem introduceren: Bied bijvoorbeeld een prentenboek aan, waarin het personage een probleem of wens heeft.

  2. De ontwerpvraag benoemen: Ontwerpvragen beginnen met Hoe kun je …? Het zijn concrete, korte, open vragen die de kern raken van een ontwerpprobleem. Goede ontwerpvragen zorgen ervoor dat je direct aan oplossingen denkt en ideeën krijgt. Een ontwerpvraag is dus het startpunt voor het verzinnen van ideeën. Maak dit ontwerpprobleem ook eens visueel en hang het op in de ontwerphoek.

  3. Inleven: Kijk samen naar visueel materiaal en stel allerlei leervragen, die de kinderen aanzetten tot inleven. Laat de kinderen het probleem ook eens naspelen met speelgoedfiguren.

  4. Ontwerpen: Al spelende komen ze op allerlei ideeën. Laat ze deze oplossingen naspelen, verwerken op papier of laat ze meteen iets gaan maken van knutselmaterialen.

  5. De ideeënstroom op gang houden: Sommige leerlingen blijven heel lang bij één idee hangen en kunnen tussendoor wel wat extra inspiratie gebruiken. Stel dan vragen, die tot nieuwe ideeën kunnen leiden, door ze bijvoorbeeld in de huid te laten kruipen van iemand anders: Wat zou een aap doen om het probleem op te lossen? Hoe zou een superheld het probleem oplossen?

  6. Presenteren: Maak bijvoorbeeld foto's van de ontwerpen en hang ze op of laat de kinderen hun ontwerp presenteren.

 

Op zoek naar meer?


Boekentip:


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest Heb je zelf ook nog leuke suggesties voor ontwerpend leren?

Inspireer dan collega’s door jouw ideeën in een reactie op deze blog te delen!

 

Bronnen



.

.

.






.



1.604 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page