Zoeken
  • Juf Angelique

Kleuters en prikkelverwerking

Bijgewerkt op: 15 jun.

Hoe mensen omgaan met de prikkels die onze zintuigen waarnemen wordt sensorische prikkelverwerking genoemd. Niet iedereen verwerkt die prikkels op dezelfde manier.

Door toenemende prikkels zijn kinderen van nu ook vaker onrustig.

In deze blog vertel ik je meer over de prikkelverwerking van kinderen en hoe je momenten van rust in de klas creëert, waarin kinderen weer tot zichzelf kunnen komen.



Sensorische prikkelverwerking


Iedere leerkracht herkent ze wel, de leerling die zit te wiebelen op zijn stoel, die naar buiten zit te staren en niet reageert op zijn/haar naam, die het liefste op de gang werkt, of die opeens heel boos wordt als er veel wordt gepraat in de klas.


Dit gedrag kan samenhangen met de manier waarop hun zintuigen prikkels uit de omgeving verwerken. Onze zintuigen nemen verschillende soorten prikkels waar. Met onze oren nemen we auditieve informatie op, met onze ogen nemen we visuele informatie op, met onze neus ruiken we geuren, met onze huid voelen we en met onze mond proeven.

We krijgen daarnaast ook prikkels vanuit ons lichaam, bijvoorbeeld over het evenwicht.

Dit verwerken van deze prikkels wordt de sensorische prikkelverwerking genoemd.

Uit onderzoeken blijkt dat maar liefst 30% van de basisschoolkinderen problemen heeft met de verwerking van sensorische prikkels.

Dat uit zich in dromerig, passief of juist onrustig druk gedrag


Bij de sensorische prikkelverwerking spelen een aantal zaken een rol:

  1. De prikkeldrempel

  2. Strategie

  3. Soorten prikkels/Modaliteiten

  4. De omgeving/situatie/context

Ik licht ze hieronder verder toe.

 

De prikkeldrempel


Allereerst is er de prikkeldrempel. Een mens neemt prikkels als geluiden of bewegingen pas waar als die prikkel een bepaalde drempelwaarde heeft bereikt. De drempelwaarde geeft dus aan hoeveel sensorische prikkels er nodig zijn of hoe sterk ze moeten zijn voordat de prikkel opgemerkt wordt. Die drempelwaarde is voor iedereen verschillend.


De hoogte van deze drempelwaarde verschilt echter per persoon.

Ieder kind heeft een optimale hoeveelheid prikkels waarbij het zich goed kan concentreren en goed kan presteren. Het aantal sensorische prikkels mag dus niet te veel, maar ook niet te weinig zijn. Sommige kinderen hebben echter een hoge drempel en merken prikkels niet snel op. Andere hebben een lage drempel en merken prikkels juist wel snel op.


Om de juiste interventie te kunnen kiezen, is het van belang om te weten of een kind een hoge of een lage prikkeldrempel heeft. Bij een hoge prikkeldrempel ervaren kinderen vaak te weinig prikkels en kunnen zij onderprikkeld raken. Zij zullen dan mogelijk extra sensorische prikkels nodig hebben om een prikkel op te merken. Bij een lage prikkeldrempel ervaren kinderen vaak te veel prikkels en kunnen zij vaak overprikkeld raken en is het mogelijk nodig om het aantal prikkels te verminderen. Als een kind onder- of overprikkeld is, kan het zich minder goed concentreren en de taak minder goed uitvoeren.


Met behulp van dit stappenplan kun je achterhalen of een kind een lage of een hoge prikkel drempelwaarde heeft.

 

Strategie


Kinderen met een hoge prikkeldrempel merken prikkels niet snel op en missen zo informatie. Vaak zijn dit de dromerige, afwezige kinderen.

Een deel van hen gaat op een actieve manier om met die hoge prikkeldrempel: ze gaan vaak extra prikkels opzoeken door te wiebelen of te friemelen om zo zichzelf te dwingen om bij de les te blijven. Dat betekent natuurlijk wel dat ze onrustig zijn in de klas.


Het tegenovergestelde zie je bij kinderen met een lage prikkeldrempel. Zij nemen heel veel prikkels waar, raken overprikkeld en worden druk en geagiteerd.

Een deel van die groep gaat ook weer actief om met het probleem.

Ze trekken zich terug of schermen de oren af. Denk aan het kind dat met opgetrokken schouders, muts over het hoofd in de bank zit. Het lijkt desinteresse, maar het kan goed zijn dat het kind zich zo beschermt tegen te veel prikkels.


Wanneer iemand op zoek gaat naar extra prikkels of zich beschermt tegen prikkels, dan is de zelfregulatie actief. Doet iemand niets, dan is de zelfregulatie passief.


De combinatie van de prikkeldrempel en de zelfregulatie leidt tot vier sensorische prikkelverwerkingsprofielen:


1. Een gebrekkige registratie (hoge prikkeldrempel met een passieve zelfregulatie)

Voorbeelden van gedrag, passende bij dit gedragsprofiel:

• Naar buiten staren, dromerig

• Reageren niet op hun naam of aanspreken

• Instructies niet meekrijgen

• Taken niet af hebben, gedeeltes overslaan

• Helemaal opgaan in een bezigheid


2. Prikkelzoekend (hoge prikkeldrempel met een actieve zelfregulatie)

Voorbeelden van gedrag, passende bij dit gedragsprofiel:

• Druk en enthousiast

• Wiebelen en friemelen

• Praten door de klas of zingen tijdens het werken

• Lopen door de klas

• Tikken met de voeten op de grond

• Tikken met potlood op de tafel

• Willen graag staand werken

• Zoeken druk geïllustreerde taken op

• Voelen aan verschillende texturen


3. Prikkelgevoelig (lage prikkeldrempel met een passieve zelfregulatie)

Voorbeelden van gedrag, passende bij dit gedragsprofiel:

• Overprikkeld, boos en geagiteerd

• Ontploffen bij weinig extra sensorische prikkels

• Star en niet-flexibel


4. Prikkelvermijdend (lage prikkeldrempel met een actieve zelfregulatie)

Voorbeelden van gedrag, passende bij dit gedragsprofiel:

• Schermen zich af door bijvoorbeeld de handen over de oren te doen of capuchon over het hoofd

• Zoeken rustige plek op om te werken

• Vragen anderen om stil te zijn en niet te bewegen

• Proberen de situatie in eigen hand te houden

• Vermijden contact met anderen


Als een kind zelf in staat is om er iets aan te doen, en het gedrag is niet storend voor zichzelf of anderen, dan hoef je als leerkracht soms niets te doen.

Doet hij/zij zelf niets, dan kan een interventie nodig zijn om ervoor te zorgen dat hij/zij voldoende sensorische prikkels ervaart om goed te kunnen functioneren.

Dit wel of niet iets doen wordt de strategie die het kind hanteert genoemd.


Met behulp van dit stappenplan kun je bepalen of een kind een actieve of passieve strategie hanteert.

 

Soorten prikkels


De drempelwaarde kan per persoon ook verschillen per soort prikkel.

Het ene kind is bijvoorbeeld gevoeliger voor visuele prikkels zoals de kleuren in een werkboek, het andere kind is gevoeliger voor de auditieve prikkels zoals het schreeuwen van de kinderen op het speelplein.


Verder is voor een juiste interventie dus ook belangrijk om te weten op welk soort sensorische prikkels de leerling sensitief reageert. Als je weet voor welke soort prikkel een kind het meest gevoelig is, dan kan je in de klas ook beter inspelen op welk soort prikkels vermeden of juist toegevoegd dienen te worden.

Hierin maken we onderscheid tussen de volgende modaliteiten:

  • Auditieve prikkels (gehoor)

  • Visuele prikkels (zicht)

  • Proprioceptieve/vestibulaire prikkels (de stand van het lichaam en het evenwicht)

  • Tactiele prikkels (tast)

  • Reuk

  • Oraal/smaak

Meestal is iemand maar gevoelig voor sensorische prikkels van één of twee modaliteiten.


Met behulp van dit stappenplan kun je bepalen bij welke modaliteit het gedrag zich het meest voordoet.

 

De omgeving/situatie/context


Een kind reageert niet in elke situatie hetzelfde op dezelfde soort sensorische prikkels.

Ook hoe het kind zich voelt, kan namelijk invloed hebben op de prikkeldrempel: als een kind bijvoorbeeld gespannen is, dan zorgt dat voor extra prikkels, waardoor het kind sneller zijn of haar prikkeldrempel kan bereiken. Deze spanningen kunnen bijvoorbeeld per vak verschillen, maar ook per situatie. Het kan ook te maken met de persoonlijke omstandigheden van de leerling: soms is hij/zij moe of heeft hij/zij net iets meegemaakt waardoor er spanningen zijn. Praten met het kind kan hier veel inzicht in geven.

 

Een overdaad aan prikkels


Als een kind dag én nacht prikkels krijgt aangeboden, dan moeten al die prikkels verwerkt worden. Dit wordt lastiger voor kinderen, als ze de hele dag omgeven worden door (te) veel prikkels. Kinderen hebben rust nodig om dingen te laten bezinken.

Hoe creëer je die rust, in een tijd met zo veel prikkels en doorlopend entertainment?

Media en computerspelletjes vechten met korte, flitsende, vluchtige beelden om de aandacht van het kind. In de schaarse vrije tijd doet het kind vaak nog meer indrukken op. En in de voor-, tussen- en naschoolse opvang ontmoet een kind wéér andere gezichten, regels en uitdagingen. De technologische ontwikkelingen en veranderingen in de maatschappij zijn de afgelopen vijfentwintig jaar sneller gegaan dan wij als mens kunnen bijhouden. Kinderen zijn hiervan de dupe. De snelheid is voor een kind namelijk te hoog. Kinderen hebben het nodig om zich te ontwikkelen in zogenoemde slow time.

Als kinderen niet de kans krijgen om zich in deze slow time te ontwikkelen, dan kunnen de gevolgen zeer ernstig zijn. Sommige onderzoekers zien deze ontwikkeling als oorzaak voor de toename van ontwikkelingsstoornissen bij kinderen.


Overprikkeling kan leiden tot allerlei verschijnselen, zoals: last van hoofdpijn, stress, slaap- en concentratieproblemen en druk en chaotisch gedrag… Veel kinderen hebben slecht contact met het eigen lijf en kunnen moeilijk fysieke prikkels aan het lichaam voelen.

Zelf grenzen stellen aan prikkels van buitenaf lukt hen nauwelijks.

Het eindeloos spelen met computerspelletjes en zappen voor de tv kunnen een vlucht zijn om maar niet zelf dingen te hoeven bedenken die je kunt en/of moet doen.

De computer werkt snel en geeft acuut resultaat. Je hoeft maar iets in te toetsen en er gebeurt iets. Maar in het “gewone” leven zal een kind soms op zijn (of haar) beurt moeten wachten. Door dit verschil tussen de virtuele wereld en de echte wereld kunnen overprikkelde kinderen in een “emotionele spagaat” terechtkomen: ze eisen direct aandacht en raken bij uitstel hevig geïrriteerd.


Kinderen focussen zich op de buitenwereld, maar lijken haast niet meer om te kunnen gaan met stilte. Daarnaast vinden ze het moeilijk om naar hun eigen, innerlijke stem te luisteren. Ze vragen zich bijvoorbeeld bij pestgedrag niet meer af: vind ik het wel oké om zo met andere kinderen om te gaan? Door het gebrek aan inkeermomenten wordt de balans verstoord en kan faalangst en zelfs depressie het gevolg zijn.

De jeugd van nu lijkt in veel gevallen fijner afgestemd te zijn dan vroeger.

Termen als hooggevoelig, indigo, ADHD en hoogbegaafd duiken steeds meer op in onderwijskringen en ouderbladen. Het hoppen en zappen van activiteit naar activiteit én de inbreuk van het mediageweld in de kinderwereld geven weinig ruimte voor het indalen en verwerken van emoties en ervaringen, terwijl juist gevoelige en drukke kinderen ongelooflijk veel rust, begrip en balans nodig hebben.

 

Wat kun je als leerkracht doen?


De houding van de leerkracht blijkt belangrijk te zijn: straalt hij/zij rust uit, dan nemen de kinderen in de klas eerder deze rust over. Je kunt jezelf dus afvragen hoe het met jouw eigen rustmomenten is gesteld, als je aan het werk bent.


Er zijn verschillende oefeningen en spelletjes, die tot gevolg hebben dat de kinderen meer naar binnen keren en rust ervaren. Een aantal voorbeelden:

  • Laat de kinderen ontladen door even gek te doen (bijvoorbeeld door te dansen of te bewegen).

  • Laat de kinderen de ogen sluiten en laat ze luisteren naar de geluiden buiten de klas. Vervolgens naar de geluiden in de klas. En tot slot naar de geluiden in zichzelf.

  • Laat de kinderen een steentje uit een doosje kiezen. Tel langzaam en met zachte stem van een tot tien. Met de ogen gesloten leggen de kinderen bij iedere tel het steentje van de ene hand in de andere hand. In plaats van een steentje kunt u kiezen voor een kastanje of een schelpje. Verleng de concentratieboog van de kinderen door tot twintig te tellen.

  • Geef (een aantal) kinderen een stressbal. De kinderen kunnen zelf die stressbal pakken als ze voelen dat ze veel moeten bewegen of onrustig en gespannen zijn, maar op dat moment niet van hun plaats kunnen en mogen lopen. De stressbal is door de kinderen eenvoudig zelf te maken. Per stressbal heb je nodig: twee ballonnen, een boterhamzakje, parkietenzaad, een schaar en een lepel. Het kind vult het boterhamzakje met parkietenzaad. Het zakje wordt daarna gesloten, door het uiteinde dicht te draaien. Blijft er een los eindje over? Dan wordt dat om de inhoud van het zakje gevouwen. De ballon, waar het blaastuitje vanaf is geknipt, wordt om het boterhamzakje gedaan. De tweede ballon, waar ook het blaastuitje vanaf is geknipt, wordt om de eerste ballon gevouwen, zodat tot slot geen opening van de ballon zichtbaar is.

  • Laat de kinderen aan het eind van de speel- of de gymles op een mat (of op de grond) liggen. De kinderen liggen op hun rug en leggen hun handen op hun buik. Ze zijn zich bewust van hun buik onder hun handen. Vraag aan de kinderen wat ze waarnemen onder hun handen. Deze oefening kun je ook in de klas doen, als de kinderen op hun stoel zitten. Bewustwording van ademhaling, in combinatie met rustige muziek, zorgt voor verstilling bij de kinderen.

  • Laat de kinderen een mandala tekenen of inkleuren. Door vanuit een centrum en binnen de cirkel te tekenen, komt het kind weer bij zichzelf.

  • Laat een voorwerp zien en vraag de kinderen met gesloten ogen het voorwerp nogmaals te “bekijken”. Vraag naar vorm en kleur. Laat daarna controleren of het klopt.

 

Hulpmiddelen


Het onderwijs kent een hele reeks hulpmiddelen om kinderen met een niet-optimale prikkelverwerking te helpen om met hun te hoge óf te lage prikkeldrempel om te gaan. Voorbeelden hiervan zijn: Tangles, wiebelkussens, een Study-buddy (planken die rechtop gezet kunnen worden rondom de tafel van de leerling om af te schermen voor visuele prikkels), geluiddempende hoofdtelefoons, kauwvoorwerpen, elastieken tussen de stoelpoten, een statafel of andere materialen, om deze kinderen de optimale hoeveelheid prikkels te laten ervaren, zodat zij prikkels beter kunnen verwerken en zich beter kunnen concentreren.



De verwachting is dat zo’n hulpmiddel helpt om beter om te gaan met de prikkels. Maar of het ook echt werkt, is nooit wetenschappelijk onderzocht. Uit onderzoeken is wel gebleken dat eenmalig kort gebruik van een hulpmiddel niet leidde tot verbetering van de prestaties.

Sterker nog, het leidde soms tot slechtere prestaties. Een mogelijke verklaring voor deze uitkomst is dat de meeste kinderen niet gewend waren om met een hulpmiddel te werken, waardoor deze juist extra afleiding opleverden.


Dit wil niet zeggen dat hulpmiddelen in alle situaties en voor alle kinderen niet effectief zijn. Hulpmiddelen werken pas als kinderen eraan gewend zijn en ze in de juiste situatie worden gebruikt of als het hulpmiddel wordt gekozen dat past bij de specifieke sensorische prikkelverwerkingsprobleem, die een kind ervaart.


Als hulpmiddelen ingezet worden, dan moet er goed onderzocht worden welk hulpmiddel het meest geschikt is op basis van de soort/modaliteit sensorische prikkels (bijvoorbeeld auditief of visueel) waarvoor het kind gevoelig is en de situatie waarin het gebruikt gaat worden. Bijvoorbeeld een hoofdtelefoon is niet passend voor een leerling die eigenlijk behoefte heeft aan meer beweging, net als een Study-buddy gebruiken niet passend is tijdens instructies waarbij naar het bord gekeken moet worden. Je doet er dus wel verstandig aan om dit soort hulpmiddelen alleen in te zetten in samenspraak met een expert op het gebied van sensorische prikkelverwerking, zoals een ergotherapeut.


Sommige hulpmiddelen zijn minder effectief als ze te vaak of te lang worden ingezet in verband met gewenning. Dan went de leerling aan de extra sensorische prikkels en is het er niet of minder gevoelig voor. Daarnaast kan het langdurig verminderen van sensorische prikkels ervoor zorgen dat de leerling juist extra gevoelig ervoor wordt.

Bijvoorbeeld een kind dat vaak een geluiddempende hoofdtelefoon opheeft kan naar verloop van tijd extra gevoelig voor geluiden kunnen worden.


Bij een hulpmiddel of interventie geldt niet ‘baat het niet, schaadt het niet’.

Hulpmiddelen kunnen mogelijk negatieve effecten hebben voor leerlingen die geen problemen hebben met de sensorische prikkelverwerking. Een middel inzetten dat niet passend is bij de leerling, kan ervoor zorgen dat hij/zij juist harder moet werken.

Hierdoor vergt de activiteit/taak juist meer inspanning of aandacht en het kan ertoe leiden dat de leerling zich minder prettig voelt en juist minder goed kan functioneren.


Met behulp van dit stappenplan kun je bepalen welke interventies of hulpmiddelen je zou kunnen inzetten

 

Op zoek naar meer?


Kijk dan ook eens op de volgende websites:

Open Universiteit

7 Zintuigen


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest

Heb je zelf ook nog leuke suggesties?

Inspireer dan collega’s door jouw ideeën als reactie op deze blog te delen!


.

58 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven