Zoeken

Zingen

Bijgewerkt: 6 dagen geleden

Kleuters zingen de hele dag door. Zingen is een logisch onderdeel van hun dag én van hun spel. Zingen is leuk, maakt je blij en zorgt voor saamhorigheid.

Daarnaast raken kinderen door middel van zingen vertrouwd met klankduur (snel-langzaam), klankhoogte (hoog-laag), klanksterkte (hard-zacht) en klankkleur.

Maar hoe bied je liedjes aan? Je leest er meer over in deze blog.



Vijf domeinen


Er zijn vijf domeinen die essentieel zijn voor de muzikale ontwikkeling van een kleuter, namelijk:

  1. Zingen

  2. Luisteren

  3. Muziek maken

  4. Lezen en noteren

  5. Bewegen

In deze blog zal ik het domein zingen toelichten.


Zingen; maak er een goede gewoonte van!


Zingen is leuk, maakt je blij en zorgt voor saamhorigheid.

Liedjes zijn niet alleen gezellig, maar ontwikkelen ook het taalgevoel bij kinderen.

Door het aanleren en opzeggen van liedjes worden kinderen zich bewust van eindrijm en ritme en oefenen ze hun taalvaardigheid.

Liedjes trainen bovendien het auditieve geheugen en helpen je om iets beter te onthouden. Samen liedjes zingen zorgt voor saamhorigheid.

Daarnaast raken de kinderen door middel van zingen vertrouwd met klankduur (snel-langzaam), klankhoogte (hoog-laag), klanksterkte (hard-zacht) en klankkleur.

Maak er dus een goede gewoonte van om liedjes aan te leren!

Welke liedjes zijn geschikt voor kleuters?


Kleuters zingen de hele dag door. Zingen is een logisch onderdeel van hun dag én van hun spel. Niet alle liedjes zijn echter geschikt om aan te leren bij kleuters.

Wanneer is een liedje wel geschikt?

  • Allereerst moet de inhoud van een kleuterliedje aansluiten bij hun belevingswereld .

  • Liedjes voor kleuters moeten tegemoet komen aan hun behoefte om veel te bewegen, en verbonden zijn met beweging.

  • Ze mogen in verband met de hun auditieve geheugen en korte concentratieboog ook niet te lang zijn. Voor jongste kleuters kies je bij voorkeur een liedje van 4 regels, voor oudere kleuters breidt je dit uit naar 8 regels. Wanneer liedjes toch wat langer zijn is het aan te raden om deze visueel te ondersteunen. Je kunt ook overwegen om het liedje verspreid over meerdere lessen in delen aan te leren en zo steeds een beetje meer uitbreiden.

  • Ze bestaan uit veel herhalingen en voldoen om aan de behoefte aan veiligheid bij een kleuter tegemoet te komen.

  • Liedjes voor kleuters passen bij de mogelijkheden van de kleuterstem: Ze zijn eenstemmig, beperkt van omvang (toongebied c’- b’), melodisch en ritmisch eenvoudig.

Liedjes aanleren


Bij het aanleren van liedjes moet plezier voorop staan, dan volgt de rest namelijk vanzelf.

Je neemt veel kansen op taalplezier weg als je de kinderen op voorhand al te nadrukkelijk inpepert dat ze het liedje van buiten moeten kennen. Taalzwakkere kleuters zullen dan angstig worden en geen plezier meer beleven aan de activiteit. Taalsterkere kleuters willen zich bewijzen en zullen daardoor ook weinig plezier meer beleven aan de activiteit.


Betrek het liedje tijdens de introductie in ieder geval altijd eerst naar de belevingswereld van de kinderen, bijv. met een inleidend verhaaltje, een vraag of een voorwerp.

Op die manier creëer je meer betrokkenheid.


Aanbieden

Bij het aanleren van een nieuw lied is het heel belangrijk dat de kinderen het eerst vele malen beluisteren. Het lied wordt dan altijd als geheel aangeboden en als geheel voorgezongen. Een lied is immers niet een aaneenschakeling van allerlei losse melodiefragmenten maar is een samenhangend geheel van tekst, ritme en melodie.

De kinderen luisteren eerst een aantal keer.

Ondersteun het liedje tijdens het voordragen ook visueel met bijvoorbeeld:

  • Gebaren.

  • Afbeeldingen (om de volgorde aan te geven).

  • Materialen.

  • Verkleedattributen.

  • Instrumenten.

  • Een groot uitgeschreven tekst met enkele pictogrammen die bepaalde woorden vervangen enz. Op die manier kunnen de kinderen het nog beter onthouden.

Om het gericht luisteren te bevorderen beantwoorden de kinderen ook luistervragen: Waar gaat het liedje over? Snappen ze de woorden?


Inzingen

Na de verkenning volgt de fase waarin de kinderen zelf het lied gaan zingen.

De leerkracht zingt voor, de kinderen luisteren goed en zingen het vervolgens na.

Dit kan op twee manieren:


1. Met wisselzang of de weggeeftechniek:

Hierbij wordt het hele lied enkele malen beluisterd, waarbij de kinderen eerst alleen de eenvoudigste passages meezingen.

Daarna zingen de leerlingen telkens een passage meer mee, tot ze het hele lied kennen. Deze methode heeft de voorkeur, omdat het lied dan één geheel blijft.


2. De papegaai- of pauzeknopmethode:

Hierbij zingt de leerkracht een regel voor en de kinderen herhalen deze.

Nadeel van deze methode is dat het lied niet meer als een muzikaal geheel klinkt; het is als het ware een puzzel die in elkaar gezet wordt. Deze methode is wel heel bruikbaar om moeilijke passages apart te oefenen.


Het voor- en nazingen verloopt altijd in een vaste cadans, alsof een interne klok de hele tijd doortikt. Tussen voor- en nazang wordt niet gepraat door de leerkracht of de kinderen.

Om een goede inzet van de kinderen uit te lokken zingt de leerkracht eerst een stukje mee.

In het begin zingt de leerkracht nog zachtjes mee, daarna laat hij/zij de kinderen zingen en doet de leerkracht alleen de moeilijke woorden/regels nog mee, en later neemt hij/zij een stimulerende luisterhouding aan. Zo wordt het muzikaal geheugen van de kinderen gestimuleerd en kan de leerkracht goed luisteren of de kinderen het lied correct zingen.

Geef bij het 'weggeven' van de zangbeurt aanwijzingen met je handen.

Misschien is het wel het belangrijkste om geen standaardmethodiek te ontwikkelen die bij de kinderen gaat vervelen: Zorg voor variatie en leer elk lied op een andere manier aan.

Deze variatie kan bestaan uit:


Algemeen:

  • De kinderen zingen alleen de laatste (rijm)woorden mee.

  • De kinderen zing alleen het laatste deel van iedere zin mee.

  • Alleen de jongens/meisjes zingen mee.

  • (Om en om) hard en zacht zingen.

  • (Om en om) langzaam en snel zingen.

  • (Om en om) hoog en laag zingen.

  • De leerkracht playbackt, de kinderen zingen het liedje hardop.

  • Om de beurt een regel zingen. Wijs aan wie de beurt heeft. Begin steeds opnieuw zodat alle kinderen aan de beurt komen.

  • Wie durft het alleen?


Zingen met emotie:

Je hebt nodig:

- Emotiekaartjes.

Laat de kinderen bij elke zin uit het aangeboden lied een andere emotie zien.

De kinderen zingen die regel vervolgens met de emotie die wordt getoond.

Je kunt hier een raadspel van maken. Jij of een kind zingt een bekend lied met een bepaalde emotie. De rest raadt welke emotie het is.


Zingen als een...:

Je hebt nodig:

- Dierenkaartjes.

Bedenk samen hoe deze dieren klinken. Laat de kinderen bij elke zin uit het aangeboden lied een ander dier zien. De kinderen zingen die regel vervolgens als het dier dat wordt getoond.


Een knuffel doorgeven:

Je hebt nodig:

- Een knuffel.

Laat de kinderen tijdens het liedje een knuffel doorgeven, die voor het einde van het lied weer bij de leerkracht moet zijn. Kinderen ontwikkelen zo gevoel voor 'hartslag van de muziek', het puls gevoel.


De dirigent:

Je hebt nodig:

-

Zing samen een liedje. Maak van je armen een bek door ze voor je uit te strekken.

Staat de bek wijd open, dan zingen de kinderen hard, gaat de bek dicht, dan zingen ze steeds zachter. Als de bek gesloten is (handen op elkaar), dan stoppen de kinderen met zingen. Als de bek dan weer open gaat, gaan de kinderen verder.


Kiekeboe!

Je hebt nodi