Zoeken

Logisch denken

Bijgewerkt: mei 6

In deze blog geef ik je suggesties voor activiteiten rondom logisch denken die bij ieder thema (aan te passen en ) te gebruiken zijn.


Tegenstellingen

Tegenstellingen:

Nodig: Evt. kaartjes met tegenstellingen.

Oefen met de kinderen een aantal tegenstellingen: nat - droog, veel - weinig, hoog - laag, groot - klein enz. Verdeel de groep hierna in tweetallen. De kinderen van elk tweetal gaan tegenover elkaar staan. Jij noemt een begrip en het ene kind beeldt dit uit, bijvoorbeeld: dik, hoog, veel, warm. Het andere kind beeldt hierna de tegenstelling uit.

Wanneer je kaartjes met tegenstellingen hebt, deel je deze aan de kinderen uit.

Ze lopen met hun kaartje door de kring en gaan op zoek naar het kind met de tegenstelling.:


Zinnen afmaken:

Nodig: -

De kinderen maken zinnen met tegenstellingen af.

Voorbeeld: Ik ben niet klein, maar ...

Tegenstellingen die je bijvoorbeeld kunt gebruiken zijn:

Aardig-onaardig, altijd-nooit, anders-hetzelfde, arm-rijk, bang-dapper, beleefd-onbeleefd, bekend-onbekend, beter-slechter, binnen-buiten, blij-verdrietig, boven-beneden, breed-smal, dag-nacht, dapper-laf, dicht-open, dichtbij-veraf, diep-ondiep, dik-dun, dom-slim, donker-licht, droog-nat, druk-rustig, duur-goedkoop, eerlijk-oneerlijk, eerste-laatste, expres-per ongeluk, gezond-ongezond, goed-fout, gezond-ziek, groot-klein, handig-onhandig, hard-zacht, hoog-laag, hier-daar, iets-niets, ja-nee, jong-oud, jongen-meisje, kapot-heel, kort-lang, koud-warm, langzaam-snel, krom-recht, laat-vroeg, leeg-vol, lekker-vies, lief-stout, licht-zwaar, levend-dood, links-rechts, langzaam-vlug, los-vast, makkelijk-moeilijk, man-vrouw, meer-minder, meest-minst, min-plus, mis-raak, makkelijk-moeilijk, mooi-lelijk, iet-wel, nieuw-oud, omhoog-omlaag, recht-schuin, schoon-vies, sterk-slap, tegen-voor, veel-weinig.

Classificeren

Wat hoort er wel/niet bij?

Nodig: Woordkaarten.

Leg een aantal woordkaarten, behorende bij dit thema, samen met woordkaarten uit een ander thema, bij elkaar en laat de kinderen zoeken welke woordkaarten er wel/niet bij horen en waarom niet.


Sorteren:

Nodig: Voorwerpen/afbeeldingen, hoepels.

Leg een aantal voorwerpen of afbeeldingen in de kring. We gaan deze sorteren.

Wat hoort er bij elkaar. Classificeer de voorwerpen bijvoorbeeld op kleur, op aantal poten, op soort of wat je ermee kan doen. Leg de voorwerpen/afbeeldingen in hoepels.

Van welke zijn er het meest/minst?


Seriëren

Afbeeldingen serieren:

Nodig: 4-6 dezelfde plaatjes van verschillende groottes.

Laat de kinderen de plaatjes uitknippen en daarna op een strook van klein naar groot plakken. Of speel dit als spel in de kring . Deel de kaarten uit en laat de kinderen, de kinderen met een kaart in de goede volgorde zetten.


Voorwerpen serieren:

Nodig: Verzamel een heleboel voorwerpen en laat ze van klein naar groot zetten.

Wanneer de kinderen het lastig vinden, kun je vragen of iemand tips heeft.

Hoe kun je nu zien of een voorwerp op de juiste plek ligt (meten, de voorwerpen goed op of naast elkaar leggen, ervoor zorgen dat de voorwerpen op een rechte lijn liggen).


Wie is het langst?

Nodig: -

Maak een rij maken van alle kinderen uit de klas. De langste voorop en de kortste achteraan. De rij kan ook omgekeerd worden.

Meten

Groot of klein?

Laat de kinderen voorwerpen of afbeeldingen sorteren op klein of groot.


Meten met wol:

Neem een bol wol en meet hoe lang de tafel is. Knip de draad af. Meet allerlei objecten. Bevestig de draad steeds aan een foto van het meetobject. Leg alle draden naast elkaar. Welke is het langst?


Het tovertouw:

Nodig: Zorg voor een touw van een meter of 5 lang (bijvoorbeeld een springtouw).

Het touw ligt in de kring. Je vertelt dat je 's morgens wakker werd en dat het touw naast je bed lag. Er zat een briefje bij, waarop stond dat het touw een tovertouw is.

Het touw kan praten als je het levend maakt!

Daarvoor moet je de volgende toverspreuk zeggen:

1 Stap naar voren, 2 stapjes terug

kruip onder het touw door en dan weer terug

touw, touw, tovertouw, spreek je nou?

Laat één leerling tijdens dit versje onder het touw doorkruipen.

Het touw begint te praten en doet allerlei uitspraken m.b.t. meten, zoals:

Ik wed dat ik langer ben dan de juf/meester

Ik wed dat ik langer ben dan alle kinderen uit de klas op een rij

Ik wed dat ik om het rode groepje heen kan

Ik wed dat ik langer ben dan de verwarming

Ik wed dat ik om de hele school heel kan

Ik wed dat ik om de zandtafel heen kan etc.

Vraag de kinderen hoe we dit te weten kunnen komen. Laat een paar kinderen vervolgens meten. Lok zo allerlei meetactiviteiten uit.

Als afsluiting kun je vragen hoe lang het touw zou zijn. Hoe kun je dat weten?

In mijn klas kwamen de kinderen met ideeën als: meten met een liniaal, meetlat e.d.

Er naast gaan liggen, 2 kinderen ernaast leggen, de juf ernaast leggen.

Eén kind wist hoe lang ze was. Dit kind ging naast het touw liggen met een kind dat ong. even groot is. Het touw meten met stappen.

Wegen

Licht en zwaar

Nodig: Een tas, mand, doos, bakje of koffer met heel veel spullen, waardoor de kinderen deze als zwaar zullen ervaren.

Laat verschillende kinderen de tas/mand/doos/bak/koffer tillen en vraag wat ze ervan vinden: zwaar of licht? Haal nu erg veel spullen eruit, zodat het als heel licht ervaren wordt.

Vraag de kinderen weer wat ze ervan vinden. Wat moeten we doen om het niet té licht en niet té zwaar te maken?


Wegen met een weegschaal:

Nodig: Een weegschaal (balans)

Zet de weegschaal in de kring en kijk met de kinderen hoe zwaar allerlei voorwerpen wegen. Schat wat even zwaar weegt en kijk of dit klopt. Laat de begrippen zwaar en licht aan bod komen door te kijken wat zwaarder is en wat lichter etc.

Als je gewichtjes hebt, kun je aan de ene kant een voorwerp op de balans leggen en aan de andere kant een gewicht. Welke gewicht weegt ongeveer even zwaar als het voorwerp?

Plak getallen op de gewichtjes. Een 1 op het lichtste gewicht, een 2 op het op een na lichtste gewicht etc. Als het voorwerp net zoveel weegt als het gewicht met de 2, dan kost het voorwerp 2 euro. De kinderen kunnen de balans op deze manier ook in de winkelhoek gebruiken.

Geld

Hoeveel kost het?:

Nodig: Pen, papier, een heleboel voorwerpen en prijskaartjes.

Maak bijvoorbeeld eerst samen met de kinderen een boodschappenlijstje met dingen die nodig zijn voor ... (een feestje, Pasen, Sinterklaas etc.) Verzamel deze spullen en zet hier een prijsje op: 1, 2, 3, 4, of 5 euro voor groep 1 en tot en met 10 euro voor groep 2.

Overleg met de kinderen hoeveel alles kost. Welke producten zijn duur, welke goedkoop? Hoeveel kost iets dan als het goedkoop is? Leg de producten die hetzelfde zijn bij elkaar, want die krijgen ook hetzelfde prijskaartje. Daarna gaan we de spullen verkopen.

Leg de producten in het midden van de kring. Lees één product van het boodschappenlijstje voor. Wie kan dit pakken? Hoeveel kost het product?

Een kind betaalt het product met munten van 1 euro. De andere kinderen mogen hardop mee tellen. Welk product is het duurst? Wat kost 1 euro? Wat kost 4 euro? enz.

Wat kun je nu nog kopen?

Grafieken

Staafdiagram:

Nodig: Een staafdiagram.

Vraag de kinderen hoe zij naar school komen, wat hun lievelingskleur is, hoeveel jaar ze zijn enz... Geef dit weer in een staafdiagram door de kinderen zelf een kruisje te laten zetten.


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest.

Heb je zelf ook nog leuke suggesties? Laat dan een reactie achter!


0 keer bekeken

© 2019 by juf Angelique. This website has been designed using resources from Freepik.com