Zoeken

Kippen en eieren: Logisch denken

Bijgewerkt: 2 dagen geleden

In deze blog geef ik je lessuggesties rondom logisch denken bij het thema kippen en eieren.


Tegenstellingen


Zinnen afmaken:

Je hebt nodig:

-

De kinderen maken zinnen met tegenstellingen af. Bijvoorbeeld:

De kip is niet alleen, maar (samen)

Hit ei is niet hetzelfde, maar (anders)

De kip is niet binnen, maar (buiten)

Het kippenhok is niet smal, maar (breed)

Het ei is niet kapot, maar (heel)

De kip is niet dik, maar (dun)

Het kuiken is niet droog, maar (nat)

In een kippenhok is het niet rustig, maar (druk)

Een ei is niet ongezond, maar (gezond)

Een kuiken is niet groot, maar (klein)

Een haan kraait hard, maar een kuiken piept heel (zacht)

De kip is niet hier, maar (daar)

Een kuiken is niet oud, maar (jong)

Een haan kraait niet laat, maar (vroeg)

Ik vind een ei niet vies, maar (lekker)

Een kuiken is niet zwaar, maar (licht)

Een kip pikt niet langzaam, maar (snel/vlug)

Vandaag legt de kip veel eieren, gisteren waren het er (weinig)

Vandaag legt de kip meer eieren, gisteren waren het er (minder)


Tegenstellingen:

Je hebt nodig:

- Evt. kaartjes met tegenstellingen.

Oefen met de kinderen een aantal tegenstellingen. Verdeel de groep hierna in tweetallen. De kinderen van elk tweetal gaan tegenover elkaar staan. Jij noemt een begrip en het ene kind beeldt dit uit. Het andere kind beeldt hierna de tegenstelling uit.

Wanneer je kaartjes met tegenstellingen hebt, deel je deze aan de kinderen uit.

Ze lopen met hun kaartje door de kring en gaan op zoek naar het kind met de tegenstelling.

Classificeren


Sorteren:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten of voorwerpen passende bij dit thema

- Hoepels.

Leg een aantal of afbeeldingen in de kring. We gaan deze sorteren.

Wat hoort er bij elkaar. Classificeer de voorwerpen bijvoorbeeld op kleur, op aantal poten, op soort of wat je ermee kan doen. Leg de voorwerpen/afbeeldingen in hoepels.

Van welke zijn er het meest/minst?


Wat hoort er wel/niet bij?

Je hebt nodig:

- Woordkaarten passende bij dit thema

Leg een aantal woordkaarten, behorende bij dit thema, samen met woordkaarten uit een ander thema, bij elkaar en laat de kinderen zoeken welke woordkaarten er wel/niet bij horen en waarom niet.


Iedere keer anders:

Je hebt nodig:

- Een voorwerp passende bij dit thema, bijvoorbeeld een ei.

Leg een voorwerp in de kring. Vraag de kinderen wat je met dit voorwerp zou kunnen doen. Een kind dat een idee heeft stapt naar voren en doet een handeling met het voorwerp (bouwen, geluid maken, iets in verstoppen enz...). Hierna stapt een ander kind de kring in. Hij/zij bedenkt iets anders en laat dit zien. Elk idee moet anders zijn.


Eieren vergelijken:

Je hebt nodig:

- Een paasei en een kippenei

- Kaarten met verschillende soorten eieren. Deze vind je bijv. bij Juf Janneke

- Kaarten met dieren die eieren leggen. Deze vind je bijv. bij Juf Janneke

- Een controle blad. Deze vind je bijv. bij Juf Janneke

Vergelijk een paasei en een kippenei. Wat is hetzelfde? Wat is er anders?

Zijn er nog andere soorten eieren?

* Variatie: Start het thema met een tweegesprek. Deel aan tweetallen kaarten uit met daarop verschillende eieren. De kinderen bespreken het volgende: wat is het, weet je van welk dier dit is? Is het een groot of een klein ei? In de kring worden daarna de resultaten besproken. Wat weten de kinderen ervan? Leg daarna de kaarten van verschillende dieren in de kring. Weten de tweetallen welk dier bij hun ei hoort? Laat de kinderen door middel van een controle blad zelf controleren of dit goed is.

Meten en seriëren


Van klein naar groot:

Je hebt nodig:

- Voorwerpen of afbeeldingen, passende bij dit thema in verschillende groottes

Laat de kinderen voorwerpen of afbeeldingen van verschillende groottes van klein naar groot leggen/plakken. Vraag een kind de kleinste te pakken en neer te zetten. Welke van de overgebleven is nu de kleinste enz. Ga zo door totdat er een logische volgorde ontstaat.

De kinderen kunnen ook ordenen op van dik naar dun of van lang naar kort.

Laat de kinderen de ogen sluiten en wissel twee voorwerpen of afbeeldingen om van plek. Welke zijn er verwisseld? Vraag het kind om de rij weer goed te zetten.


Groot of klein?

Je hebt nodig:

- Voorwerpen of afbeeldingen, passende bij dit thema, in allerlei maten.

Laat de kinderen voorwerpen of afbeeldingen sorteren op klein of groot.

Wegen


Licht en zwaar

Je hebt nodig:

- Een tas, mand, doos, bakje of koffer met heel veel eieren.

Laat verschillende kinderen de tas/mand/doos/bak/koffer tillen en vraag wat ze ervan vinden: zwaar of licht? Haal nu erg veel eieren eruit, zodat het als heel licht ervaren wordt.

Vraag de kinderen weer wat ze ervan vinden. Wat moeten we doen om het niet té licht en niet té zwaar te maken?


Wegen met een weegschaal:

Je hebt nodig:

- Een weegschaal (balans)

- Eieren en andere voorwerpen die bij dit thema passen.

Zet de weegschaal in de kring en kijk met de kinderen hoe zwaar allerlei voorwerpen wegen. Laat de begrippen zwaar en licht aan bod komen door te kijken wat zwaarder is en wat lichter etc.

  • Neem twee voorwerpen en laat de kinderen raden welke zwaarder is. Hoe kunnen we dit controleren? Laat de kinderen de voorwerpen wegen.

  • Als je gewichtjes hebt, kun je aan de ene kant een voorwerp op de balans leggen en aan de andere kant een gewicht. Welke gewicht weegt ongeveer even zwaar als het voorwerp? Plak getallen op de gewichtjes. Een 1 op het lichtste gewicht, een 2 op het op een na lichtste gewicht etc. Als het voorwerp net zoveel weegt als het gewicht met de 2, dan kost het voorwerp 2 euro. De kinderen kunnen de balans op deze manier ook in de winkelhoek gebruiken. Zet de voorwerpen van licht naar zwaar.

  • Weten de kinderen hoeveel een ei weegt? Hoeveel iemand weegt kun je niet zien. Hoe kun je dit dan toch te weten komen? Laat de kinderen met antwoorden komen (weegschaal).Vraag de kinderen vervolgens om drie kinderen of voorwerpen, die ongeveer even groot zijn (zodat de lengte minder een rol speelt) op volgorde te zetten van licht naar zwaar. Maak daarbij in eerste instantie nog geen gebruik van de weegschaal. Hoe kun je zeker weten dat deze volgorde klopt? Laat de kinderen met het antwoord komen. Laat de kinderen of voorwerpen daarna op de weegschaal staan/zetten en oefen met het aflezen van een weegschaal. Zet de kinderen of voorwerpen daarna samen weer in de juiste volgorde. Herhaal dit met drie andere kinderen of voorwerpen.


Dobbelspel:

Je hebt nodig:

- Voorwerpen, passende bij het thema (kip, kuiken, ei, eierdopje enz...)

- Een papieren of magnetische, beschrijfbare dobbelsteen. Deze koop je o.a. bij Credu.

Teken verschillende voorwerpen (passend bij thema) op de kanten van de dobbelsteen.

Laat het kind 2x gooien en deze voorwerpen op de weegschaal leggen.

Welke voorwerpen zijn zwaarder/lichter?

Geld


Hoeveel kost het?:

Je hebt nodig:

- Pen

- Papier

- Een heleboel voorwerpen, passende bij dit thema (bijv. eieren)

- Prijskaartjes.

Maak van de voorwerpen een winkel.

Maak eerst samen met de kinderen een boodschappenlijstje.

Verzamel deze spullen en zet hier een prijsje op: 1, 2, 3, 4, of 5 euro voor groep 1 en tot en met 10 euro voor groep 2. Overleg met de kinderen hoeveel alles kost.

Welke producten zijn duur, welke goedkoop? Hoeveel kost iets dan als het goedkoop is? Leg de producten die hetzelfde zijn bij elkaar, want die krijgen ook hetzelfde prijskaartje. Daarna gaan we de spullen verkopen. Leg de producten in het midden van de kring. Lees één product van het boodschappenlijstje voor. Wie kan dit pakken? Hoeveel kost het product? Een kind betaalt het product met munten van 1 euro. De andere kinderen mogen hardop mee tellen. Welk product is het duurst? Wat kost 1 euro? Wat kost 4 euro? enz.

Wat kun je nu nog kopen?


Dobbelspel:

Je hebt nodig:

- Voorwerpen, passende bij dit thema (kip, ei, mand, kuiken, eierdopje)

- Munten en/of briefgeld

- Een papieren of magnetische, beschrijfbare dobbelsteen. Deze koop je o.a. bij Credu.

Laat de kinderen voorwerpen kopen. Gooi met de dobbelsteen en laat ze betalen met het bedrag dat op de dobbelsteen staat. Laat de kinderen het getal in munten (en/of briefgeld) neerleggen op tafel.

* Variatie: Leg een voorwerp in de kring met hieraan een prijskaartje.

Gooi nu de dobbelsteen met hierop verschillende bedragen: is het voorwerp goedkoper of duurder dan wat er op de dobbelsteen staat?

Grafieken


Kakel de kip:

Je hebt nodig:

- Een kip (handpop)

- Eieren

- Papier

- Schrijfmateriaal

- Eventueel stroken en wasknijpers met een ei eraan

Kakel de kip (een handpop) merkt dat het lente wordt en zoekt een plek in de klas om eieren te leggen. In een grafiek wordt bijgehouden hoeveel eieren er iedere ochtend worden gevonden. Dit kan op papier, door de kinderen bijvoorbeeld evenveel kruisjes als eieren in een staafdiagram te laten zetten, maar bijvoorbeeld ook met stroken met voor iedere dag een wasknijper met een ei eraan. Na het broeden verschijnen er op een ochtend opeens kuikens in het nest van Kakel.


Onder het tabblad "Gecijferdheid/logisch denken" op deze website vind je meer achtergrondinformatie over logisch denken bij kleuters.

Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest

Heb je zelf ook nog leuke suggesties?

Inspireer dan collega’s door jouw ideeën als reactie op deze blog te delen!




0 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven