Zoeken

Kippen en eieren: Gecijferdheid

Bijgewerkt: 2 dagen geleden

In deze blog geef ik je suggesties voor kringactiviteiten rondom gecijferdheid bij het thema kippen en eieren.



Omgaan met de telrij


Het geheime ei:

Je hebt nodig:

- 10 eieren

Leg 10 eieren in het midden van de kring op een rij.

Wanneer de kinderen gewoon in de ronde kring zitten, spreek je af welk ei het eerste is en welke het laatste. Je kunt de kinderen ook allemaal zo laten zitten dat ze de eieren vanuit de juiste richting zien. De helft van de kinderen gaat dan op de grond, voor een ander kind zitten. Eén kind gaat naar de gang. De klas spreekt af welk ei het geheime ei is.

Laat de kinderen dit ei benoemen. Is het de eerste? Het zesde ei of het laatste?

Het kind komt van de gang terug de klas in en mag een ei pakken. Is dit het geheime ei niet, dan blijft het stil in de klas. Het kind mag dit ei op zijn/haar stoel leggen.

Dan mag het kind een volgend ei pakken. Net zolang tot het kind het geheime ei vastpakt. De hele klas roept dan iets, bijv. 'KRAK!' Dit ei moet teruggelegd worden en het kind mag niets meer pakken. Hoeveel eieren heeft het kind kunnen pakken?

Vraag regelmatig welk ei het kind nu pakt, het tweede of het derde ei?

En hoeveel eieren het kind al heeft kunnen pakken.

Nu mag er iemand anders naar de gang en wordt het spel opnieuw gespeeld.

Wie heeft er de meeste eieren gepakt? Wie de minste?

Speel het spel een aantal keer. Herhaal de rangtelwoorden en de begrippen meer, minder, evenveel, meeste en minste.

Omgaan met hoeveelheden


Tellen met een eierdoos:

Je hebt nodig:

- Een eierdoos voor 10 eieren, gevuld met kuikens, eén in elk vakje.

Laat de dichte doos aan de kinderen zien en laat de kinderen raden hoeveel kuikens erin zitten. Sommige kinderen zullen weten dat er altijd 10 eieren in een doosje zitten of lezen dat op het etiket.

Als er verschillende kleuren kuikens in de doos zitten, kun je vragen hoeveel er van iedere kleur zijn.

Hoeveel kuikens zijn er nog als er één weg gaat? En als er 2 weg gaan? Haal de kuikens nog niet uit de doos, maar laat de kinderen eerst nadenken en antwoorden. Daarna worden de kuikens uit de doos gehaald en kijken de kinderen of het antwoord klopt.

Vervolgens haal je een kuiken weg uit één rij van 5 kuikens In die rij zitten nu 4 kuikens in de andere rij 5. Waar zijn er meer? Waar zijn er minder? Nu haal je in 1 rij 3 kuikens weg. Waar zijn er meer? Waar minder? De kinderen oefenen zo meer en minder.

Vraag de kinderen ook wat de helft is. Je kunt dat makkelijk zien omdat er aan allebei de kanten 5 kuikens zitten. 5 erbij 5 is 10. Laat dat maar eens zien met de handen. Kunnen de kinderen ook 6 vingers laten zien? En 3, en 2?

Sluit af met het volgende spelletje: alle kinderen hebben de ogen dicht.

Er zitten 10 kuikens in het eierdoosje. Eén kind mag er wat kuikens uithalen en achter zich leggen. De kinderen doen de ogen open. De doos gaat rond in de kring. Hoeveel kuikens zijn er weg? Sommige kinderen zullen gaan tellen, anderen zien dit in één oogopslag.


Hoeveel eieren liggen er achter je?

Je hebt nodig:

- Eieren

Een kind is de kip (of de Paashaas) en zit met een blinddoek op in de kring.

Er komt steeds een kind een ei achter hem leggen.

Kan het kind raden hoeveel eieren er achter hem liggen?


De eierdief:

Je hebt nodig:

- Een mandje met eieren.

De kip heeft 5 of 10 eitjes gelegd. Die liggen in zijn nestje, maar van achter de struiken gluurt de eierdief. De dief sluipt naar het mandje en steelt wat eieren.

De kinderen hebben de ogen dicht, de dief (een kind of de leerkracht) pakt wat eieren weg. De kinderen mogen weer kijken. Hoeveel eieren liggen er nog? Hoeveel eieren zijn er weg? * Variatie: Een kind is de kip en het mandje staat achter hem/haar. Steeds komt er een eierdief een eitje weghalen.


Eieren verstoppen:

Je hebt nodig:

- 5-10 papieren of plastic eieren.

Tel de eieren met de kinderen.

Leg nu 2 eieren op tafel. Bedek 1 ei onder een doek. Hoeveel eieren liggen er onder de doek? Hoe weet je dat? Hoeveel eieren kun je zien? Leg 3 eieren op tafel en bedek er 2 en stel weer vragen aan de kinderen.

Uiteindelijk doe je dit met 5 eieren of, wanneer de klas dit kan, met 10 eieren.


Eieren tellen:

Je hebt nodig:

- Een heleboel papieren eieren van verschillende kleur en grootte.

Leg de eieren in de kring. Hoeveel eieren zijn er? Welke is het grootst? Welke is het kleinst? Leg een rijtje eieren op volgorde van groot naar klein.

Bekijk welke kleuren de eieren hebben. Hoeveel gele zijn er? Hoeveel blauwe? etc.

Van welke kleur zijn er de meeste en van welke kleur de minste?


Hoeveel eieren legt de kip?

Je hebt nodig:

- Een kip (knuffel of handpop)

- 10 plastic eieren

- Een deksel of bak met eventueel wat hooi of zaagsel erin voor het nest

- Kleine kuikentjes.

Kakel de kip (een handpop) zoekt een plek in de klas om eieren te leggen.

Kakel legt iedere dag eieren. Iedere dag wordt er geteld hoeveel er zijn gelegd.

Deze gegevens kunnen ook in een grafiek worden verwerkt.

Na het broeden verschijnen er op een ochtend opeens kuikens in het nest van Kakel.

Kakel zit op haar nest en broedt op haar eieren. Wat denken de kinderen, hoeveel eieren zouden er onder Kakel liggen? De kinderen mogen raden. Jij schrijft de antwoorden op een groot vel papier of het bord en turft wat er geraden wordt. Als alle kinderen geraden hebben kijken we wat het meest geraden is en wat het minst geraden is.

Zitten er antwoorden bij waarvan de kinderen denken dat het niet kan (veel te veel)?

Nu gaan we kijken hoeveel eieren het zijn. Hoeveel kinderen hadden dat goed?

De eieren breken één voor één langzaam open.

De kinderen doen de ogen dicht en jij haalt wat eieren weg. Je zet er kleine kuikentjes voor in de plaats. De kinderen mogen weer kijken. Hoeveel eieren zijn er uitgebroed?

Hoeveel eieren zijn er nog dicht? Om het wat moeilijker te maken verdwijnen de eieren die uitgebroed zijn en komen er geen kuikentjes voor in de plaats. De kinderen doen de ogen weer dicht en jij haalt wat weg. Wat is weg?


Dobbelspel:

Je hebt nodig:

- Een papieren of een magnetische, beschrijfbare dobbelsteen. Deze koop je o.a. bij Credu.

Teken op de dobbelsteen de ogen: herkent het kind deze structuur?

Teken vervolgens een aantal kippen, kuikens of eieren op de dobbelsteen en laat de kinderen het juiste aantal tellen.

Omgaan met getallen


Levend kippenbord

Je hebt nodig:

- Cirkels met cijfers erop

- Een pluchen kip

Een variatie op het bekende spel 'Ganzenbord'.

Leg de cirkels op de vloer. Leg ze in eerste instantie in de verkeerde volgorde/in de war. Kunnen de kinderen ze op de goede volgorde leggen.

Daarna rollen de kinderen om beurten met een dobbelsteen en plaatsen een kippenknuffel evenveel stappen vooruit. Lukt het binnen 10 worpen?


Dobbelspel:

Je hebt nodig:

- Voorwerpen, passende bij het thema

- Een papieren of magnetische, beschrijfbare dobbelsteen. Deze koop je o.a. bij Credu.

Schrijf verschillende cijfersymbolen op de dobbelsteen:

  • Laat de kinderen tot dit getal tellen

  • Laat de kinderen vanaf dit getallen tellen tot 10 of 20.

  • Laat de kinderen vanaf dit getal terugtellen tot 0.

  • Leg een aantal voorwerpen op tafel. Laat een kind met de dobbelsteen gooien: is het getal wat op de dobbelsteen staat meer, minder of evenveel als de hoeveelheid voorwerpen?

  • Laat de kinderen met dobbelsteen gooien en hetzelfde aantal voorwerpen neerleggen. Laat ze daarna de aantallen vergelijken: veel, weinig, meer, minder, evenveel.

  • Leg een bepaald aantal voorwerpen op tafel. Gooi met de dobbelsteen. Haal nu het aantal gegooide voorwerpen weg: hoeveel voorwerpen blijven er over?


Cijferkaarten:

Je hebt nodig:

- Cijferkaarten passende bij dit thema

Kant en klare vind je o.a. hier:

Juf Anja: Cijfermuur eieren 1-15

Twinkl: Numbers 0-100 on egg cups

Twinkl: Numbers 0-100 on fried eggs

Twinkl: Numbers 0-100 on golden egg

Twinkl: Numbers 0-100 on Chicken

Twinkl: Numbers 0-100 on Chicken licken

Twinkl: Numbers 0-100 on Hullabaloo chicken


Je kunt de cijferkaarten op allerlei manieren inzetten:


Getalsymbolen herkennen en benoemen:

  1. Bewegend flitsen: Maak een stapeltje van de cijferkaarten en flits ermee. De kinderen zeggen welk getal ze zien. Spreek met de kinderen af dat het getal van de week het kaartje is waarbij ze boos mogen stampen of blij mogen springen. Steeds wanneer de kinderen het 'stamp of spring' kaartje zien, stampen ze of springen ze de lucht in.

  2. Memory: Print de cijferkaarten twee keer uit. Leg ze op de kop en speel memory.

  3. Zoek je maatje: Print de cijferkaarten twee keer uit. De kinderen zoeken het kind met hetzelfde getal en gaan naast elkaar in de kring of op de grond zitten. Variatie: Laat ze iemand zoeken die 1 meer of 1 juist 1 minder heeft.

  4. Rara, waar ben ik? Verstop een afbeelding van een kip of kuiken onder één van de cijferkaarten. De kinderen raden vervolgens waar deze ligt. Ze moeten het getal eerst juist benoemen en daarna mogen ze kijken of het klopt.

  5. Bewegend leren: Leg hoepels met cijferkaarten erin neer. De kinderen krijgen een pittenzakje en gaan om de hoepels heen staan. Noem nu een getal. De kinderen proberen hun pittenzak in de juiste hoepel te mikken. Wie had het goed?


De getallenrij:

  1. Alles op een rijtje: De kinderen zitten in de kring. Jij hebt de cijferkaarten vast. Je laat een willekeurig kaartje zien en legt dit kaartje in de kring. Daarna laat je het volgende kaartje zien. Waar zou dit kaartje moeten liggen. Maak samen een getallenrij van alle kaartjes in de kring.

  2. Kaartje terugleggen: De kinderen zitten in de kring (op volgorde van de getallen) en hebben hun cijferkaartje vast. De leerkracht noemt een getal. Dit kind mag zijn/haar cijferkaartje in de kring komen leggen. Wanneer een kind zijn getal niet herkent of niet reageert, zullen de anderen dit misschien wel opmerken. Ze kunnen immers tellen wie welk getal heeft.

  3. Wat klopt er niet?: Leg de getallen in de juiste volgorde in de kring. De kinderen doen de ogen dicht. Haal een getal weg of verwissel twee getallen. Kunnen de kinderen ontdekken wat er niet goed is? Speel dit spel ook een keer met alleen de even of de oneven getallen.

  4. We maken een kringetje: Geef ieder kind een cijferkaart en de opdracht om in de kring te komen zitten op de juiste volgorde. Getal 1 moet naast de juf zitten, daarnaast 2, dan 3 etc. en het laatste getal, getal nummer... zit ook weer naast de juf. De kinderen zullen naar je toe komen om te vragen waar ze moeten zitten. Vertel ze dat ze hulp mogen vragen van klasgenootjes. Jij zegt niks. Er zullen altijd kinderen zijn die gaan regelen. Als iedereen zit vertellen de kinderen één voor één welk getal ze hebben en steken dit omhoog. Zitten we allemaal goed? Zo niet, welke kinderen moeten nog wisselen? Speel het spel nog een keer.

  5. Verstoppertje spelen: Leg de getallen in de juiste volgorde. Gebruik een knuffel waar de kinderen eerst aan moeten vertellen welke getallen ze zien. De knuffel gaat een verstopspelletje met de kinderen spelen. Hij gaat op één of meerdere getallen liggen. Welke getallen zijn bedekt? Variatie: De kinderen doen de ogen dicht. De knuffel pakt een cijferkaart weg. De kinderen mogen weer kijken. Welk getal is er nu weg? Maak het spel moeilijker door meerdere getallen weg te halen.

  6. Wie is er weg? De kinderen zitten in de kring en hebben hun cijferkaart (in de juiste volgorde) zichtbaar in hun handen. De kinderen doen de ogen dicht. De leerkracht tikt één kind aan. Dit kind verstopt zich met het kaartje. Dan mogen de kinderen hun ogen weer opendoen. Welk getal is verdwenen? Wordt het juiste getal genoemd, dan komt het kind dat dit kaartje heeft weer in de kring zitten. Breid dit uit door meerdere kinderen in één ronde aan te tikken. Zij verdwijnen en wanneer hun getal genoemd wordt, komen ze terug in de kring.

  7. Het geheime getal: Jij neemt een getal in gedachten. De kinderen gaan allemaal op hun stoel staan, met hun cijferkaartje zichtbaar in de hand. Zorg ervoor dat de kinderen hun getal goed zichtbaar vast blijven houden. Ze mogen het geheime getal gaan raden. Als het getal bijvoorbeeld 18 is en een kind 20 raadt, zeg jij 'lager' en moeten alle kinderen die 20 of hoger dan 20 hebben gaan zitten. Nu raadt een kind 5. Jij zegt 'hoger' en alle kinderen die 5 of lager hebben gaan zitten. Wie raadt het getal?

  8. Raad het getal: Leg de getallenlijn in de kring. Zorg ervoor dat alle kinderen aan de goede kant zitten (en het spel dus niet op z'n kop zien). Leg een knuffel aan het begin van de getallenlijn (voor de 1) en een andere knuffel aan het eind (achter de 10 of 20). Neem een getal in gedachten. De kinderen mogen raden. Vertel of het geraden getal te hoog of te laag is. Verplaats de ene knuffel naar rechts wanneer het getal meer moet zijn en verplaats de andere naar links als het getal minder moet zijn. Bijv. Jij hebt 7 in gedachten. Een kind raadt 4. Dit is te laag. Verplaats de knuffel, schuif hem over de 1, 2, 3 en 4. De getallen tussen de twee knuffels kunnen nog geraden worden. Nu wordt 8 geraden. Dit is te hoog. Verplaats de andere knuffel naar de 8. De getallen tussen 4 en 8 blijven over. Ga zo verder. Wie raadt het getal?

  9. Hoger/lager (1) : Neem een stapeltje cijferkaarten en schud ze goed. Draai de eerste kaart om. Vraag de kinderen welk getal hierop staat. Laat de kinderen nu raden of er op de volgende kaart een hoger of lager getal staat. Draai de volgende kaart om. Is het hoger of lager? Ga zo verder.

  10. Hoger/lager (2): Geef elk kind een kaart. Laat één van de kinderen de naam van een ander kind noemen. Heeft hij een hoger of lager getal op zijn kaart staan?


Hoeveelheden koppelen aan getallen:

  1. Voorwerpen koppelen: Leg een aantal cijferkaarten in de kring en leg hier evenveel gekleurde dopjes bij.

  2. Coöperatieve opdracht: Zorg voor cijferkaarten waarvan het totale aantal bij elkaar opgeteld het aantal kinderen in de klas vertegenwoordigt. Elk kind krijgt een gekleurd dopje. Geef ze vervolgens de opdracht om de gekleurde dopjes op de kaarten te leggen. Precies evenveel als dat het getal op de kaart aangeeft. Wijs daarna kinderen aan dit dit mogen controleren.

  3. Memory: Stop de cijferkaartjes van de getallen 1 t/m 10 onder een bekertje en stop daarnaast ook hoeveelheden kleurendopjes onder bekertjes. Zoek het getal bij de juiste hoeveelheid.

  4. Zoek dezelfde, maar toch anders: Gebruik de cijferkaarten en kaarten met daarop het getalbeeld (bijv. stippen of vingers die een aantal aangeven). Geef de helft van de groep een cijferkaart en de helft een kaart met een (bijbehorend) getalbeeld. Vertel dat de kinderen met een cijferkaart op zoek moeten naar de kinderen met het getalbeeld, behorende bij dit cijfer. De kinderen lopen door de kring en gaan bij het juiste kind staan. Wanneer iedereen zijn cijfer gevonden heeft, controleer je of het klopt. Andersom (het getalbeeld bij een cijferkaart zoeken) kan natuurlijk ook. Laat de kinderen ook eens van kaartje wisselen en speel het spel dan opnieuw.

  5. Dobbelsteenspel: Nummer 12 voorwerpen met de cijferkaarten 1 t/m 12. Leg de voorwerpen in de juiste volgorde en tel ze. Tel ook eens verder vanaf een bepaald getal, tel terug, tel met sprongen. Gooi vervolgens met 2 dobbelstenen. Kijk wat je gegooid hebt en pak het desbetreffende voorwerp.


Onder het tabblad "Gecijferdheid" op deze website vind je meer achtergrondinformatie over gecijferdheid bij kleuters.

Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest!

Heb je zelf ook nog leuke suggesties? Laat dan een reactie achter!



0 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven