Zoeken

Interactief voorlezen

Bijgewerkt: mei 15

Het voorlezen van een (prenten-)boek is een regelmatig terugkerende activiteit in de onderbouw. Door dit uit te breiden naar interactief voorlezen werk je effectief aan de taalontwikkeling van de kinderen. In deze blog lees je hoe je dat kunt doen.



Voorlezen


Samen een boekje lezen en plaatjes bekijken, het is voor jong en oud vaak een heerlijk en rustgevend moment. Voorlezen is niet alleen plezierig, het is ook belangrijk voor de ontwikkeling van een kind. Onderzoek wijst uit dat kinderen die van jongs af aan zijn voorgelezen betere leerprestaties hebben op school.


  • Het prikkelt de fantasie. Kinderen leren zich door voorlezen een voorstelling te maken van dingen die ze in het echt nog nooit hebben gezien of meegemaakt.

  • Het draagt bij aan het taalgevoel en taalbegrip. Kinderen raken door voorlezen vertrouwd met taal en ontdekken dat je van woorden zinnen en mooie verhalen kunt maken.

  • Het vergroot de woordenschat. Door met de kinderen plaatjes te bekijken en te benoemen, leren ze hoe iets heet en pikken ze nieuwe woorden op. Een wat ouder kind vraagt soms ook al spontaan naar de betekenis van een moeilijk woord, maar verifiëren kan geen kwaad. Vraag er dus ook naar!

  • Het oefent de luistervaardigheid en het concentratievermogen.

  • Het stimuleert de sociaal-emotionele vaardigheden. Samen een boekje lezen over een herkenbaar onderwerp en daarover praten, kan een kind helpen indrukken en gevoelens te verwerken. Wanneer een kind wordt voorgelezen leeft het mee met de figuren uit het boek en zich in te leven in de leef- en ervaringswereld van een ander.

  • Het motiveert kinderen om zelf te leren lezen.


Voor de effectiviteit van het (interactief) voorlezen is frequentie (enkele keren per week) belangrijk. Ook herhaald voorlezen van dezelfde tekst werkt bevorderend.

Interactief voorlezen


Bij voorlezen luisteren de kinderen.

Bij interactief voorlezen is er voor het lezen, tijdens het lezen en na het lezen ruimte voor gesprekken over het verhaal en hebben kinderen dus een actieve, betrokken rol.

Het is dus geen eenrichtingsverkeer, maar echte communicatie. Een dynamisch proces tussen de volwassene en kind.

Als voorlezers de interactie zoeken met het kind, krijgt de taal- en leesvaardigheid een extra impuls. Kleuters die vragen krijgen over afbeeldingen, karakters en gebeurtenissen in het verhaal, laten in diverse onderzoeken meer vooruitgang op hun woordenschat zien dan kleuters die passief consumeren via boeken, computer of de televisie. Interactief voorlezen betekent dat je ook aandacht geeft aan diverse ontwikkelingslijnen, zoals sociaal-emotioneel, rekenen en natuurlijk taal.

Verder stimuleer je er het begrijpend lezen mee. Dit kun je uiteraard alleen maar doen als je de voorleesactiviteit in een kleine groep uitvoert. Het is verstandig om eerst te beginnen met het ‘gewone’ voorlezen. Wanneer de kinderen eenmaal gewend zijn aan het voorlezen kan er een start worden gemaakt met het interactief voorlezen. Interactief voorlezen is dan iets wat 2 á 3 keer per week aanbod kan komen naast het ‘gewone’ voorlezen.

Zo is er genoeg tijd voor de leerkrachten om het goed voor te bereiden en uit te breiden. Daarnaast blijft het voorlezen dan ook nog gewoon ‘leuk’ voor de leerlingen, wat tevens het leesplezier zal vergroten.

De opbouw van een les interactief voorlezen


De voorbereiding:


1. Kies een geschikt (prenten-)boek.

Interactief voorlezen komt het beste tot zijn recht als het boek aansluit bij de leeftijd en belevingswereld van de kinderen en over dingen gaat die de kinderen zelf ook meemaken. Verder geven prenten jonge kinderen extra ondersteuning voor het voorgelezen verhaal, waardoor zij moeilijke woorden beter onthouden en het verhaal beter begrijpen. Prenten bieden in het bijzonder hulp als tekst en beeld dichtbij elkaar staan zowel in de ruimte (op dezelfde pagina) als in de tijd (in de chronologie van het verhaal). Bij kleuters speelt bovendien de fantasie een belangrijke rol. In de interactie tijdens het voorlezen kun je de kinderen dus ook stimuleren om zelf te fantaseren en fantastische verhalen te vertellen.


2. Lees het boek eerst zelf, zodat je niet voor verrassingen komt te staan en je nog eb.

Bedenk ook alvast wat vragen om over in gesprek te gaan en welke moeilijke woorden je centraal gaat stellen (plak daar eventueel een plakkertje bij).


3. Kies bij voorkeur voor een kleine kring.

Voor een optimale betrokkenheid maak je bij voorkeur een kleine kring, zodat je de aandacht goed over de kinderen kunt verdelen en er meer ruimte is voor inbreng en interactie, zonder dat het onoverzichtelijk wordt.


4. Zorg ervoor dat de kinderen ontspannen kunnen zitten en de plaatjes goed kunnen zien. Vergroot deze eventueel. In een grotere groep zou je eventueel het digibord kunnen inzetten en de prenten digitaal groot op het digibord kunnen zetten.


5. Maak bij taalzwakke kinderen gebruik van pre-teaching.

Om de taalzwakkere kinderen die moeite hebben met begrijpend luisteren bij de les te betrekken, kunt je gebruik maken van pre-teaching. Pre-teaching houdt in dat je het verhaal vooraf bespreekt met een kleine groep kinderen en enkele moeilijke woorden uitlegt. De kinderen ontwikkelen zo een lichte voorsprong zodat ze tijdens de grote groepsactiviteit beter mee kunnen.


De inleiding:


1. Zorg voor een rustige plek.

Voorlezen is een moment van rust.

Zorg dus voor een rustige plek met weinig afleiding. Spreek, om afleiding te voorkomen ook af dat er tijdens het voorlezen niet gelopen wordt.

Geef kinderen die moeite hebben met stil zitten iets om mee te friemelen, zoals een stressballetje of een tangle.

De hulpjes zet je recht voor je neer, zodat ook zij alles goed kunnen zien.


2. Zorg voor een pakkende introductie.

Zet het boek voor iedereen zichtbaar op een standaard of op het digibord en zorg voor een pakkende introductie.

  • Neem bijvoorbeeld attributen mee die goed bij het boek passen en leg deze in de kring en stel vragen, zoals: “Zie je hier iets liggen wat je ook op de kaft ziet staan?”

  • Beeld een korte gebeurtenis uit

  • Gebruik een handpop. Een kant-en-klare is hier te koop.

  • Gebruik een verteltas

  • Maak er een verhalend ontwerp van: Start het boek bijvoorbeeld met een brief van de hoofdfiguur. In die brief staat bijvoorbeeld een probleem, waarbij de kinderen om hulp wordt gevraagd. Schrijf daarna samen met de kinderen een brief terug. De volgende dag vinden de kinderen vervolgens een een bedankkaartje met het boek.

Door een het boek pakkend te introduceren, vergroot je de betrokkenheid van de kinderen. Leg vervolgens een link naar het (prenten)boek.


3. Bespreek de kaft.

De kaft van het boek speelt een belangrijke rol. De voorkant maakt dat een kind het boek wel of niet wil lezen/horen. Laat de voorkant van het boek zien. raag wat er te zien is op de kaft? Bespreek de titel (lees mee met je vinger of laat een kind deze voorlezen).

Welke letters staan er in de titel? Welke letter staat ook in je naam? Uit hoeveel woorden bestaat de titel? Wat is het eerste-middelste-laatste woord? Aan welke kant (links/rechts) begin je met het lezen van de titel? Wie is/zijn de schrijver(-s) en illustrator(-s) van het boek ?Kennen ze misschien andere boeken van hen? Gebruik eventueel vaste pictogrammen voor de titel, schrijver, tekenaar en het soort boek (prentenboek, verhalenboek, versjesboek, informatieboek) en de wie-wat-waar vragen. Vraag ook wie weet wat er op de rug en de achterkant van het boek staat. Hier wordt kort verteld waar het verhaal over gaat.

Eventueel kun je dit voorlezen, zodat de kinderen nieuwsgierig worden gemaakt naar het verhaal. Benoem alles gewoon en maak het niet eenvoudiger, omdat je bang bent dat ze het anders niet zullen begrijpen. Dus zeg gewoon: schrijver, illustrator (en geen tekenaar), illustraties (geen tekeningen), kaft (geen voorkant), rug (geen zijkant), flaptekst (geen achterkant). Hoe vaker de kinderen de begrippen horen hoe sneller ze deze ook zullen gebruiken.


4. Ga op een eerste verkenning.

Blader door het boek en laat de prenten zien, maar lees het nog niet voor.

Kent iemand het boek al? Laat de kinderen voorspellen waar het boek over gaat. Help eventueel met ondersteunende vragen, zoals: “Wie zie je op de plaatjes?”, ” Wat gebeurt hier?”, ”Waar zijn ze nu?”, Hoe zou het verhaal aflopen? Herhaal kort samenvattend wat de kinderen voorspeld hebben. Je eindigt de verkenning met de vraag “Zullen we eens kijken of het klopt wat wij denken?”.

5. Maak het leerdoel duidelijk.

Maak eventueel het leerdoel van de interactieve voorleesles duidelijk met behulp van een pictogram, dat je tijdens de les ook zichtbaar ophangt. Stel per les een leerdoel centraal en introduceer het pictogram met “Wat gaan we vandaag leren?”.

Leerdoelen kunnen zijn:

  • Positieve luisterhouding: Ik zit stil en houd mijn oren open.

  • Aandachtig luisteren naar een verhaal: Ik luister goed.

  • Reageren op inhoud van verhaal: Ik begrijp het verhaal.

  • Vragen stellen om verhaal te begrijpen: Ik begrijp het verhaal.

  • Antwoord geven op vragen over het verhaal: Ik begrijp het verhaal.

  • Voorspellen van het verloop van het verhaal: Ik weet hoe het verhaal verder gaat.

  • Navertellen van een verhaal met behulp van prenten: Ik kan het verhaal navertellen.

  • Weergeven volgorde van gebeurtenissen: Ik weet wat er aan het begin/midden/eind van het verhaal gebeurt.

  • Weergeven van motieven van personen: Ik weet hoe (naam hoofdpersoon) denkt?

  • Weergeven oorzaak-gevolg: Ik weet waarom iets in het verhaal gebeurt.


De kern:

1. Houd (oog-)contact met de kinderen.

Let erop hoe je het boek vasthoudt.

Laat je gezicht er niet achter verdwijnen. Probeer ook niet teveel in het boek te kijken, maar zoveel mogelijk contact te houden met de kinderen. Wissel het boek af door het afwisselend links en rechts voor je te houden.

Oogcontact kan de concentratie van de kinderen enorm vergroten.


2. Let op je stem.

Lees duidelijk, levendig en expressief voor. Een monotone stem (alles op één toonhoogte, net zoals je de tafels opdreunde vroeger) is uit den boze. Geef de verschillende karakters een eigen stemmetje, maar alleen als het er niet teveel zijn, ze duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn en je dat goed kunt, anders wordt het weer te verwarrend voor de kinderen. Wanneer je het overdrijft, luisteren de kinderen alleen nog maar naar jou en niet meer naar het verhaal. De verhaallijn lees je in je eigen stem. Je kunt sommige stukken hard of zacht voorlezen, fluisteren als iets spannend is, hoog of laag, snel of langzaam.

Lees niet te hard en laat emoties doorklinken. Praat niet te snel en las af en toe ook een pauze in en wissel je tempo af (wanneer het spannend wordt praat je langzamer).


3. Gebruik mimiek, ondersteunende geluiden en bewegingen:

Lezen doe je niet alleen met je stem. Gebruik ook gezichtsuitdrukkingen.

Als je leest over een vies gerecht, trek je ook een heel vies gezicht.

Is er iets engs in het boekje? Laat dan merken dat het spannend is.

Maak tijdens het voorlezen ook ondersteunende geluiden of bewegingen of vraag de kinderen iets voor te doen, maar maak er geen toneelstuk van, dat leidt alleen maar af.

Pak tussendoor ook eens voorwerpen uit de inleiding erbij.


4. Wees niet bang om woorden of zinnen aan te passen tijdens het lezen.

Lees dus gewoon iets anders dan wat er staat, als dat beter uitkomt voor het ritme, of als je dat zelf mooier of grappiger vindt. Vertel zo nodig een eigen verhaal bij de plaatjes.


5. Stel zoveel mogelijk OPEN vragen.

Stel ook vragen die met name gaan over de ervaringen van de kinderen (“Wat vind jij hiervan?”” Heb jij dat ook al eens meegemaakt?” Wat “vond je er toen van?”). Vraag op spannende momenten ook hoe het verhaal verder zou kunnen gaan. Door na te denken over wat er allemaal kan gebeuren, denken kinderen goed na. Hierdoor leren ze in hun dagelijks leven ook beter om naar oplossingen te zoeken voor problemen.

Mocht je dit lastig vinden, dan zou je deze vragen van te voren kunnen bedenken en met post-its in het boek kunnen plakken.


6. Bespreek de illustraties.

De kinderen kunnen dan meteen zien wat er op het plaatje staat en of het plaatje ook klopt met wat er voorgelezen wordt.


7. Leg moeilijke woorden uit.

Tijdens het lezen kom je vanzelf allerlei woorden tegen die de kinderen nog niet kennen. Deze woorden kun je op verschillende manieren uitleggen: Met behulp van de illustraties, door woorden voor te doen, door ze met andere woorden te beschrijven of door een voorbeeld te geven. Op deze manier onthouden de kinderen ze beter.

Houd het wel bij 3-4 woorden.


8. Geef de kinderen voldoende gelegenheid om te reageren op het verhaal.