Zoeken
  • Juf Angelique

De ontwikkeling van rollenspel

Bijgewerkt op: 27 jun.

In de hoeken kunnen kleuters op hun eigen niveau spelen. De ontwikkeling van rollenspel verloopt langs een aantal stadia, die voor alle kinderen hetzelfde zijn en veel zeggen over de ontwikkeling van het kind. Het is fijn om de verschillende stadia te kennen, om de activiteiten van kinderen nog beter te leren begrijpen en daar in je spel- en materialenaanbod nog beter op te kunnen inspelen. In deze blog lees je er meer over.


Dezelfde stappen in een ander tempo


Qua vaardigheden kent het rollenspel van kinderen verschillende stadia.

In grote lijnen zou je kunnen zeggen dat de ontwikkeling van rollenspel start met een manipulatieve fase. In deze fase manipuleren kinderen met nieuw materiaal voordat ze er werkelijk mee gaan spelen. Op deze manier ervaren ze de mogelijkheden, maar vooral ook de onmogelijkheden van het materiaal. Naarmate kinderen zich verder ontwikkelen, zullen ze vanuit manipuleren met materialen steeds meer behoefte krijgen om doelgerichter te gaan spelen. Elk kind doorloopt dezelfde stadia in dezelfde volgorde. Het tempo waarin en de leeftijd waarop deze stadia worden doorlopen is echter voor iedereen verschillend.

 

De zone van de naaste ontwikkeling


In de kleuterleeftijd zijn de meeste grote ontwikkelingsdomeinen in het brein aangelegd.

De mate waarin deze zijn aangelegd is afhankelijk van de mate waarin ouders/verzorgers en professionals de kinderen hierin hebben laten oefenen. Naast dat ieder kind zijn eigen genetische bouwplan heeft is dus ook een kwestie van trainen en stimuleren. Oefening baart kunst! In de praktijk zie je dan ook dat de beginsituaties van kleuters erg veel kunnen verschillen. De ene kleuter die net op school komt heeft al veel meer vaardigheden dan de andere. Kinderen ontwikkelen zich immers op hun eigen tempo en de ontwikkeling van een kleuter verloopt niet lineair, maar met sprongen.


In de wisselwerking tussen hersenontwikkeling en de stimulans vanuit de omgeving is het belangrijk dat er rekening wordt gehouden met de verschillende leergevoelige perioden in de hersenen. Trainen en stimuleren is namelijk van belang om de ontwikkeling te stimuleren, maar tegelijkertijd kent het kleuterbrein ook leergevoelige fases waarbij het oefenen en trainen van specifieke vaardigheden juist weinig zinvol is.

Het heeft dus geen zin om met scholing en training van bepaalde vaardigheden te beginnen (bijvoorbeeld lezen en schrijven) als het brein van de kleuter daar nog niet aan toe zijn.


Om de spelontwikkeling te stimuleren moet je werken vanuit een sterk en beredeneerd aanbod. Een aanbod dat de zone van de naaste ontwikkeling aanspreekt.

Deze zone bevindt zich tussen het niveau van de actuele zelfstandige ontwikkeling van een kind en het niveau waarop het kind ondersteuning nodig heeft. De zone van de naaste ontwikkeling is een fase die uitdagingen en kansen biedt om een kind verder te brengen.



Als leerkracht moet je dus beschikken over kennis van de ontwikkelingslijnen, met concrete tussendoelen, verdeeld over de periodes gedurende het schooljaar.

Deze leerlijnen vormen de basis voor een beredeneerd aanbod, die past bij de doelgroep en hun ‘zone van de naaste ontwikkeling’. Op basis van dit beredeneerde aanbod zal een leerkracht zichzelf als didactisch instrument kunnen inzetten; de leerkracht die instrueert, modelt en/of gericht evalueert. Daarbij is het van belang dat hij/zij niet activiteitgericht te werk gaat maar doelgericht. De activiteit kan een kind immers middels zijn of haar intrinsieke motivatie wel zelf ontwerpen.


De volgende observatielijst is een handig hulpmiddel om de spelontwikkeling van de kleuters in je klas in kaart te brengen om zodoende aan te kunnen sluiten bij de spelniveaus in jouw groep. Ze zijn gebaseerd op de SLO doelen voor kleuters.

De leeftijden die erbij staan betreffen een gemiddelde kleuter.

De vaardigheden achter de rode balk staan voor de periode tussen 3,6 en 4,6 jaar.

De vaardigheden achter de gele balk staan voor de periode tussen 4,6 en 5,6 jaar.

De vaardigheden achter de blauwe balk staan voor de periode tussen 5,6 en 6,6 jaar.

In de eerste kolom lees je over welk stukje rondom de spelontwikkeling deze vaardigheden specifiek gaan: Spelbeleving/spelduur, samenspel, het spelniveau en spelregels.

In de smalle witte kolom staat vervolgens de leeftijd waarop een gemiddelde kleuter de ontwikkelingen laat zien, die daar achter zijn beschreven. De laatste kolom kun je gebruiken om te registreren dat een kind deze vaardigheden laat zien.

De observatielijst is afkomstig uit mijn download: Kijk op kleuters.

In dit pakket vind je niet alleen observatielijsten voor alle domeinen die in een kleutergroep aan bod komen, maar daarnaast bevat het pakket ook handige lijsten met hulpzinnen voor stimulerende en belemmerde factoren. Deze download is te bewerken en daardoor ook aan te passen, aan te vullen en te gebruiken om hulpzinnen naar bijvoorbeeld een rapport, groepsoverzicht of een groeidocument te kopiëren en te plakken.

Je kunt ook onderzoeken of het kindvolgsysteem in jouw onderbouw een concrete leerlijn spel met tussendoelen heeft. Koppel deze aan een beredeneerd focusaanbod.


Uit onderzoeken blijkt dat de spelontwikkeling van kinderen hun cognitieve vaardigheden spiegelen. De verschillende stadia zijn een leuke gids, die je laat nadenken over wat je ziet. Kennis van de spelfasen biedt een leerkracht dus ook zicht op het niveau van die cognitieve ontwikkeling, waardoor de leerkracht een kind beter kan begrijpen en helpen in de zone van zijn naaste ontwikkeling en op die manier zijn symbolisch denken kan versterken.

Als een leerkracht herkent waar een kind is, zal hij/zij het kind daaromheen ondersteunen, in plaats van te proberen een structuur met hen te bouwen die misschien te complex is en te ver verwijderd is van waar het kind zich in ontwikkeling bevindt.


Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat, hoewel kinderen ernaar neigen de opeenvolgende fases te doorlopen, zij ook af en toe spel laten zien dat hun bekwaamheid niet weerspiegelt. De ontwikkelingsfasen zijn namelijk geen afbakeningen maar een doorgroeiende lijn. Dat betekent dat een kind nog steeds kenmerken van een vorige fase kan laten zien. Hieronder licht ik de diverse fasen in het rollenspel gedetailleerder toe.

 

Fasen


De ontwikkeling van rollenspel verloopt in de volgende fasen, die voor alle kinderen hetzelfde zijn:


Fase 1: Manipulatief spel

Alle kinderen starten ergens tussen 2-3 jaar met manipulatief spel.

Dit houdt in dat ze voorwerpen handelend gaan verkennen: ze rijden bijvoorbeeld met een auto en stapelen blokken. Het kan ook zijn dat ze voorwerpen niet gebruiken zoals ze bedoeld zijn: de blokken belanden bijvoorbeeld als eten in de pan. In dit manipulatieve spel oefenen ze hun motoriek, leggen ze contact met anderen en leren ze taal gebruiken.

In deze fase zijn kinderen nog niet gericht op anderen.


Fase 2: Eenvoudige symbolische handelingen

Al handelend koppelen de kleuters, meestal tussen 3-4 jaar, steeds meer betekenis aan hun acties (bijv. roeren in een kookpot, op en af rijden met een auto…).

Het zijn nog korte, eerder eenvoudige scripts, waar nog weinig verder plan achter zit. Benoemen waar je mee wil spelen en wat je wil spelen, lukt hierin steeds beter.

In deze fase zijn kleuters nog op zichzelf gericht en spelen ze voornamelijk nog naast elkaar (parallelspel) en doen zij anderen na (imiterend spel)


Fase 3: Eenvoudig rollenspel

Het eenvoudige symbolische spel verandert ergens tussen 4-5 jaar in eenvoudig rollenspel, waarin kinderen doen alsof ze iets zijn, zelf met spelideeën komen, steeds gerichter materiaal gaan kiezen en bepaalde regels gaan gelden. In dit eenvoudige rollenspel zie je vluchtige tussendoorcontacten en beginnend samenspel, waarbij kinderen zich aan simpele spelregels kunnen houden, breidt de taal zich uit en worden er relaties gelegd tussen voorwerpen en rollen.


Fase 4: Uitgebreider scriptgericht spel

Het rollenspel wordt vanaf 5-5,5 jaar steeds meer uitgebreid.

De kinderen bedenken nu samen met een ander een samenhangend spelverhaal, maken daarbij afspraken over rollen, houden zich aan regels en afspraken en kunnen hun beurt afwachten. De kinderen moeten hiervoor met elkaar overleggen, elkaars spelideeën aanhoren en begrijpen. De voorbereiding van het spel neemt een steeds grotere rol en zowel fantasie elementen als verhalen uit de ‘echte wereld’ kunnen inspireren voor het verdere verloop. In deze fase staat de dialoog centraal: rollen staan steeds meer in relatie tot elkaar, er wordt taal gebruikt, kleuters stemmen met elkaar af, ideeën borduren op elkaar voort en er worden plannen gemaakt!


Dit interactieve rollenspel ontstaat echter niet automatisch. Veel kinderen blijven op dit punt steken. En dit terwijl deze fase juist zo belangrijk is voor de ontwikkeling van het kind; hier wordt namelijk een beroep gedaan op de sociale gevoeligheid en vaardigheid.

Of kinderen klaar zijn voor deze fase, hangt van veel factoren af.

Kinderen zijn daarin vooral afhankelijk van hun sociale omgeving.

Wordt er thuis dezelfde taal gesproken als op school? Wordt er gespeeld in de vrije tijd? Stimuleren ook andere volwassenen het spel?

Als kinderen niet tot deze laatste fase van spel komen, is het belangrijk dat de leraar ingrijpt. Misschien is dit soms al nodig bij eerdere vormen van spel.


Fase 5: Uitgebreid rollenspel

Vanaf 6-6,5 jaar diepen kinderen het rollenspel nog verder uit en komen ze met realistische spelideeën. Hierbij sluiten ze aan bij het spel van een ander.

 

Wordt hier wel geleerd?


Als leerkracht plan je jouw aanbod zorgvuldig en heb je de beste intenties wanneer het aankomt op de ontwikkeling van kinderen.

Maar hoe weet je nu of de door jouw georganiseerde (spel-)activiteiten de ontwikkeling van de kinderen ook daadwerkelijk bevorderen?


Om dit te kunnen beoordelen is het belangrijk om te weten hoe kleuters leren.

Jonge kinderen zijn intrinsiek gedreven. Zij willen het liefst direct handelend actief aan de slag gaan met de dingen in het hier en nu die hun interesse wekken.

Jonge kinderen leren door te kijken en imiteren, ontdekken en doen en te herhalen en oefenen. Hun jonge brein heeft honger naar nieuwe kennis en ervaringen.


Tegenwoordig wordt vaak gesproken over spelend leren of lerend spelen, maar wat wordt hier nou eigenlijk mee bedoeld? Is er eigenlijk wel spel waar je niets van leert?

Wordt er bedoeld dat kinderen echt mogen spelen en dat ze daar heel veel van leren of dat het leren gewoon zo leuk mogelijk worden gemaakt? Spelen en opdrachten gaan echter niet samen. Kinderen moeten bij spel zelf een betekenis geven aan materialen als ze spelen.


In veel kleuterklassen zie je het spelenderwijs leren steeds meer verdwijnen en lijkt het alsof het aanbieden van leerkrachtvaardigheden, die te maken hebben met het overdragen van kennis en het geven van instructie, belangrijker te worden.

Vaak denken we bij doelen ook aan activiteiten, die we in de kring moeten doen, waarna je kunt afvinken of de kinderen deze doelen hebben behaald. Bij spel, een activiteit die minder meetbaar is, lijken veel leerkrachten het gevoel te hebben de controle op de ontwikkeling van de kinderen te verliezen. Kinderen leren echter ook niet lopen door de instructies die wij ze geven en toch leren ze gewoon lopen. Zo zit het ook met het leren van andere dingen.

Durven inzetten van hoekenspel in je beredeneerde aanbod heeft vaak te maken met controle loslaten en het durven vertrouwen op de natuurlijke ontwikkeling van een kind in plaats van iets te willen repareren wat nog niet gebroken is.


Moeten je kinderen dan maar gewoon hun gang laten gaan? Nee!

Wanneer we spreken van leren door te spelen, bedoelen we dat kinderen het geleerde moeten verwerken tijdens het spel, voor ze zich de nieuwe kennis en vaardigheden eigen maken en in een andere situatie kunnen gebruiken. Alleen vrij spel is dus nog geen onderwijs; het wordt pas onderwijs doordat de leerkracht invloed uitoefent op dat vrije spel. Om kansen te pakken en te creëren om de ontwikkeling van kinderen te stimuleren, zorgt de leerkracht voor de juiste inbreng vooraf, tijdens en na het spelen.

Dat doe je niet door kinderen te sturen, maar door de intrinsieke motivatie te verhogen, aan te sluiten op de zone van de naaste ontwikkeling, rijke hoeken in te richten, een duidelijke en functionele organisatiewijze te hanteren en het spel te begeleiden.


Kenmerken van spel dat de ontwikkeling van jonge kinderen stimuleert, zijn:

  • Het is plezierig en vreugdevol.

  • Het kent geen doelen en is spontaan.

  • De leerlingen bepalen wat ze doen.

  • Het is vrij van regels van buitenaf.

  • Het is niet letterlijk (kan doen-alsof elementen bevatten) en heeft een eigen realiteit.

  • Het roept actieve betrokkenheid op.

 

Intrinsieke motivatie


Om tot ontwikkeling te komen moet je de intrinsieke motivatie van kleuters aanspreken.

Ieder kind bezit het vermogen om ergens hoog betrokken mee aan de slag te gaan.

Wanneer je daar als leerkracht op kunt aansluiten, vergemakkelijk je het leren voor een kind.


Hoge betrokkenheid kenmerkt zich door een aantal aspecten, zoals

  • Een hoge concentratie, waarbij het kind alles om zich heen vergeet en opgaat in zijn spel of taak.

  • Een sterke intrinsieke motivatie waarbij het kind uit zichzelf gedreven is om de activiteit uit te voeren.

  • Openstaan voor de omgeving en wat deze hem te bieden heeft.

  • Intense mentale activiteit.

  • Voldoening die voortvloeit uit de onbedwingbare drang om dingen te onderzoeken en ondervinden

  • De grenzen van het eigen kunnen verkennen en zichzelf uitdagen.


Om de mate waarin kinderen betrokken met iets bezig zijn van elkaar te kunnen onderscheiden heeft Ferre Laevers de Leuvense schaal van betrokkenheid als indicator voor ontwikkeling ontwikkeld. Hij stelt dat wanneer kinderen hoog betrokken zijn er ook fundamentele ontwikkeling plaatsvindt.

Om de mate van betrokkenheid te kunnen onderscheiden heeft hij vijf schaalwaarden ontwikkeld, ieder voorzien van concrete gedrag. Schaal 1 beschrijft het minst betrokken gedrag. Schaal 5 beschrijft het hoogt betrokken gedrag. Wanneer een kleuter een schaalwaarde van 3,5 of hoger dan is dat voldoende om in ontwikkeling te zijn.


De Leuvense betrokkenheidsschaal helpt je de vraag te beantwoorden: Wordt hier wel geleerd? Mocht je twijfelen aan de opbrengsten van het spel, onthoud dan dat je dit terugziet in de intensiteit en betrokkenheid tijdens het spelen. Kinderen die intens betrokken aan het spelen zijn, zijn namelijk altijd aan het leren. Wanneer kinderen cognitief te weinig worden uitgedaagd dan zie je dit terug in lage scores op hun betrokkenheid.

Wanneer je dus in staat bent om de betrokkenheid van kinderen tijdens spel te beoordelen, dan kun je het onderscheid maken tussen kinderen die gewoon lekker bezig zijn en kinderen die zich ontwikkelen. Wanneer je tijdens een doelgerichte activiteit een lage betrokkenheid ziet, heeft deze dus ook weinig waarde voor jouw observatie. Laat daarom iedere observatie van kennis- en of vaardigheidsdoelen samengaan met de observatie van betrokkenheid.


Naast dat je de betrokkenheid kan observeren op kindniveau, kan dat overigens ook op groepsniveau. Als de groep grotendeels of als geheel minder betrokken is, dan vraagt dat om direct ingrijpen, omdat weinig betrokkenheid dus niet leidt tot leren.

De mate waarin kinderen betrokken zijn, schommelt wel gedurende de dag.

Het is voor leerkrachten dus niet alleen zaak te leren zien of een kind betrokken is en in welke mate, maar ook tijdens verschillende momenten. Houd daarnaast in de gaten dat een kleuter van 5-6 jaar gemiddeld maar 8 minuten hoog betrokken kan zijn.

 

Rollenspel en de rol van zelfsturing


Bij de ontwikkeling van rollenspel is zelfsturing ook een belangrijk aspect.

Het is de motor voor kwalitatief rollenspel.

Wanneer een kind nog weinig zelfsturing heeft zal zijn rollenspel kwalitatief ook minder goed zijn. Het is dus belangrijk om deze zelfsturing te stimuleren.


Onder zelfsturing wordt verstaan:


Kiezen:

Geleidelijk aan groeit bij de kleuter een duidelijker beeld van het spel dat hij wil spelen.

Wat aanvankelijk nog toevallig ontstaat, wordt steeds meer een doelbewust gekozen.


Scenario:

Aanvankelijk is er nog weinig sprake van planmatigheid: wat gebeurt, dat gebeurt.

Het script of de verhaallijn krijgt vervolgens meer aandacht: de kleuters kijken bij anderen, roept eigen ervaringen op of herinneren zich stukjes uit een verhaal, dat gaan ze naspelen. Er komen steeds meer stappen die op elkaar gaan volgen en het spel wordt complexer. Vooral het openstaan voor ideeën van andere kinderen, betekent een hele impuls in het verder bedenken en uitvoeren van steeds uitgebreidere plannen.


Afstand nemen:

Nadenken over het spel is aanvankelijk nog beperkt. De kleuter handelt gewoon.

Afstand nemen gebeurt dan ook eerder achteraf, terugblikkend. Er is een groei naar ook meer kunnen vooruitblikken. De openheid en flexibiliteit om ook andere ideeën mee te nemen en je eigen plan hierop bij te sturen, groeit mee.


Wil en doorzetting:

De korte, eenvoudige handelingen, vragen nog weinig doorzetting en handelingen wisselen elkaar dan ook snel af. Naarmate het spel rijker wordt, zien we dat de rol en de bijhorende regels een stimulans is om langer in het spel te blijven. Vooral ook in de samenwerking met anderen zit weer een hele grote uitdaging en oefening om niet op te geven als anderen niet meedoen wat jij wil. Via het spel wordt de kleuter uitgedaagd om vol te houden in te zoeken naar oplossingen.

 

Kijk goed naar de samenstelling!


Wanneer kinderen in een huishoek zich in een andere fase van de spelontwikkeling bevinden, kan dit stimulerend werken, maar ook frustrerend zijn.

Hierdoor kunnen zich problemen in het spel voordoen. Het ene kind wil dan bijvoorbeeld rollenspel spelen, maar krijgt de andere kinderen niet mee en dat kan erg frustrerend zijn.

Kijk dus goed naar de samenstelling van de kinderen die in de huishoek spelen.

 

Op zoek naar meer?


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest

Heb je zelf ook nog leuke suggesties?

Inspireer dan collega’s door jouw ideeën in een reactie op deze blog te delen!


.



1.118 weergaven0 opmerkingen