Zoeken
  • Juf Angelique

Faalangst bij kleuters

In de kleuterperiode laten kinderen een toenemend ik-besef zien.

Als gevolg van dit toenemende besef worden kinderen zich ook bewust van de eigen kwetsbaarheid. Het zelfbeeld is ook van invloed op het gedrag van een kind.

Als kinderen denken dat ze iets niet kunnen, terwijl ze het wel kunnen, dan kan dat de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind in de weg zitten of juist optimaliseren. Dit vraagt dus om een goede ondersteuning bij de ontwikkeling van een realistisch en positief zelfbeeld. In deze blog lees je er meer over.



Zelfvertrouwen aan de basis

.



Het idee van de leerling, dat hij/zij “de moeite waard is”, is een concretisering van het begrip positief zelfbeeld. Een leerling met een positief zelfbeeld kan over het algemeen wel tegen een stootje. Kinderen die een positief zelfbeeld hebben, houden van zichzelf, vinden zichzelf de moeite waard en stralen meer zelfvertrouwen uit. Het ene kind is wat zekerder over zijn zaakjes dan een ander. Dit heeft te maken met een optelsom van zowel aanleg, vaardigheden en met omgevingsinvloeden, zoals de manier waarop mensen over hem/haar denken, wat er tegen (of over) hem/haar gezegd wordt, hoe mensen op hem/haar reageren, hoe hij/zij gewaardeerd wordt. Dit wordt ook wel het spiegeleffect genoemd.


Fundamenteel zelfvertrouwen heeft ook te maken met een veilige binding.

Zelfvertrouwen ontwikkelt het kind ook door het oplossen van ontwikkelingstaken, door de ervaringen die het opdoet: het kind ontdekt wat hem/haar wél en niet goed afgaat.

Al doende krijgt het kind informatie over zijn/haar eigen competenties.

Wanneer een kind tevreden is over zijn/haar eigen prestaties en ook anderen hun waardering daarvoor laten blijken, gaat het zelfvertrouwen gepaard met zelfwaardering: ik ben iemand, die de moeite waard is! De hoeveelheid zelfwaardering van een kind bepaalt dus de mate van zijn/haar zelfvertrouwen.


Zelfvertrouwen is een basis is voor de sociale, emotionele en verstandelijke ontwikkeling van een kind: Een kind met zelfvertrouwen is in staat om een beroep op de leerkracht te doen in situaties, dat het hulp nodig heeft. De leerkracht kan het kind dan verder helpen met de opdracht. Het kind ervaart, dat het na de hulp van de leerkracht weer verder kan met het oplossen van de opdracht. De opdracht wordt volbracht en dit geeft het kind een positief, voldaan gevoel over zichzelf. Het kind zal daarom bij een volgende gelegenheid wéér de hulp van de leerkracht inroepen, als dat nodig is. Enzovoort.

En zo is zelfvertrouwen de basis voor ontwikkeling.


Bij het ontbreken van zelfvertrouwen kan de ontwikkeling van een kind dus ernstig stagneren! Veel leerlingen hebben een beperkt zelfvertrouwen. Dit kan betrekking hebben op een bepaald gebied, zoals schoolvaardigheden. Het kan ook zijn dat een kind zich onzeker voelt op meerdere terreinen, bijvoorbeeld als het gaat om sportieve vaardigheden of contact leggen. Oorzaken hiervoor zijn te vinden in het karakter en temperament van het kind, maar ook in omgevingsinvloeden. Voor de leerkracht is het heel belangrijk om te weten welke leerlingen hier last van hebben en wat je hier vervolgens aan kunt doen.

 

Onzekerheid


Het gedrag van een kind wordt sterk bepaald door zijn/haar zelfbeeld.

Een leerling die positief over zichzelf denkt, zal zich anders voelen en zich anders gedragen dan een leerling die negatief over zichzelf denkt. Een leerling met een positief zelfbeeld durft eerder verantwoordelijkheid te nemen dan een kind met een negatief zelfbeeld.

Hij/zij is vrijer in de omgang met anderen en durft nieuwe dingen aan te pakken.

Onzekerheid ontstaat vanuit een slecht zelfbeeld van het kind. Die onzekerheid kan voorbijgaan, maar het kan ook zijn dat deze uitgroeit tot een aanzienlijke faalangst.


Als leerlingen voor nieuwe situaties komen te staan, bijvoorbeeld als ze nieuwe leerstof krijgen, is het ook normaal, dat ze wat gespannen zijn. Ze vragen zich dan af of ze wel kunnen voldoen aan de (nieuw) gestelde eisen. Een beetje angst voor nieuwe situaties is nuttig, omdat leerlingen daardoor beter hun best doen. Als de leerlingen vervolgens de nieuwe taak goed volbrengen (of als ze goed kunnen omgaan met de nieuwe eisen), dan is de basis gelegd voor de ontwikkeling van een gevoel van zelfvertrouwen.


Kinderen uiten een gebrek aan zelfvertrouwen bijvoorbeeld door zich terug te trekken, niet op de voorgrond treden en niet antwoorden wanneer er iets gevraagd wordt.

Maar er zijn ook onzekere kinderen die juist meer extravert reageren.

Zij proberen er alles aan te doen om hun onzekerheid niet te laten zien en om te voorkomen dat hen een vraag wordt gesteld. Deze kinderen vallen op door gedrag zoals het door de klas roepen, anderen afleiden en geluiden maken. In werkelijkheid overschreeuwen ze zichzelf. Ze zijn bang om aangesproken te worden en wanneer iemand hen wil helpen, reageren ze fel en opstandig. ‘Aanval is de beste verdediging’, lijkt hun strategie te zijn.


Onzekerheid kan ook voorkomen bij een stoornis. Een kind met bijvoorbeeld autisme, dat moeite heeft met het inschatten van sociale situaties, kan behoorlijk onzeker worden wanneer er van hem verwacht wordt mee te doen in het reguliere spel.

Een kind met ADHD kan door zijn beperkte impulsbeheersing en onhandigheid erg nerveus worden bij motorische opdrachten.

 

Faalangst


Of een kind nu teruggetrokken of juist meer naar buiten gericht gedrag laat zien; als hij geen hulp krijgt, kan hij faalangst ontwikkelen. En dat kan weer grote gevolgen hebben voor de leerresultaten. Onzekerheid is dus een risicofactor voor het ontwikkelen van faalangst, maar lang niet alle kinderen die onzeker zijn, ontwikkelen faalangst.

Als een leerling ervaart dat bepaalde taken hem/haar minder goed afgaan ontwikkelt het vaak een negatief zelfbeeld en uit een negatief zelfbeeld kan dan weer faalangst ontstaan.


Faalangst is in feite een effect van een uit de hand gelopen levensvraag: doe ik ertoe?

De leerling vraagt zich af: ziet de leerkracht mij zoals ik werkelijk ben? En: tel ik bij mijn klasgenoten mee om wie ik ben en wat ik doe? Wanneer een leerling een taak opgelegd krijgt die moeilijk is, is enige spanning terecht. Maar stel dat een leerling opdrachten op zijn/haar niveau krijgt, die goed zijn uit te voeren. Als die leerling dan tóch bang is om fouten te maken, dan is dit een aanwijzing voor faalangst. Door de faalangst presteert de leerling minder goed dan hij/zij zou kunnen. Een leerling met faalangst wordt angstig, als er reële eisen aan hem worden gesteld, door hemzelf of door anderen. Verder is een faalangstige leerling vaak gevoelig voor reacties uit de omgeving. En dat geldt dan zowel voor positieve reacties (complimenten) als voor negatieve reacties (beoordelingen)!

 

Signalen opppakken


Los van wat de oorzaak is van een beperkt zelfvertrouwen, is het belangrijk de signalen tijdig op te pikken en in een vroeg stadium in te grijpen, zodat faalangst kan worden voorkomen. Een vroegtijdige interventie is namelijk het effectiefst en bovendien kan deze laagdrempelig plaatsvinden binnen school.


Hoe ouder kinderen worden, des te beter zijn ze in staat om hun angst te verbergen.

Het is dan van belang om te letten op signalen, die op angst kunnen duiden.

Angst gaat vaak gepaard met allerlei lichamelijke reacties, zoals teruggetrokken gedrag, opstandig gedrag, piekeren, slecht slapen, buikpijn, hoofdpijn, zweten, hartkloppingen en een trillerig gevoel. Vaak zijn leerlingen zélf moeilijk in staat te (h)erkennen en te benoemen wat hen dwarszit. Om duidelijk te krijgen waarom een leerling zich niet goed voelt of zich opstandig gedraagt, is het dus nodig hem/haar te observeren. En door zijn/haar gedrag vervolgens te analyseren, kan een leerkracht een oorzaak voor de angst boven tafel krijgen.

Let op signalen die kunnen aangeven dat er sprake kan zijn van angst onderliggend aan agressief of vluchtgedrag. Bespreek met de ouders of zij thuis ook agressief of vluchtgedrag zien bij hun kind en of dit gedrag tijdens dezelfde soort situaties als op school voorkomt. Overleg of er sprake kan zijn van een onderliggende angst.

Door het kind te observeren en door gesprekken te voeren met het kind en met zijn ouders, leer je hem/haar beter te begrijpen.


Het is erg belangrijk om eerst het gedrag van een leerling goed in kaart te brengen voordat je een aanpak bedenkt. Dat helpt om het gedrag van het kind beter te kunnen begrijpen. Soms blijken bepaalde interventies namelijk helemaal niet nodig. In het slechtste geval bereiken ze zelfs het tegenovergestelde. Een onzekere leerling apart zetten, veroorzaakt meestal bijvoorbeeld alleen maar meer problemen voor dat kind.

 

Aanpak van angst in de klas


Om kinderen met faalangst te kunnen helpen, kun je de volgende tips uitproberen:


Erken en accepteer de faalangst bij de leerling en ouders!

Respecteer als leerkracht de aanleg van de leerling om faalangst te ontwikkelen.

Toon ook begrip voor de angst. Creëer een veilige omgeving, waarin de angst van een kind bespreekbaar is. Neem die angst serieus. Daarna kan pas aan de angst gewerkt worden.

Heb ook geen angst voor angst! Wees niet bang als leerkracht om een leerling met angst te benaderen. Een leerling met angst heeft het meeste baat bij beschikbaarheid.


Biedt een veilig groepsklimaat!

Met de grote groepen van vandaag is het voor leerkrachten vaak lastig elk kind honderd procent te kennen. En juist omdat onzekerheid zo abstract is, kan het meest gewonnen worden door in de eerste plaats een optimaal veilig groepsklimaat te bieden.

Dit kan onder andere door vaste rituelen (zoals het dagritmepakket) te hanteren en duidelijke regels te stellen en structuur te bieden.


Fouten maken mag!

Alle kinderen, maar juist de in aanleg onzekere kinderen, zijn gevoelig voor een bepaalde benadering. Het gaat dan onder andere om weten dat fouten maken mag.

Daarbij is van belang dat leerlingen dit ook expliciet te horen krijgen.

Je kunt dit luchtig houden: een les waarin de kinderen expres fouten mogen maken kan al erg helpen. Ook hebben onzekere leerlingen behoefte aan kennis over hun eigen kunnen. Voor elke leerling zijn vorderingen zichtbaar maken (en niet alleen voor de ouders) helpt enorm. Ook willen veel onzekere leerlingen duidelijk weten wat er van hen verwacht wordt: per dag, per vak en per vraag.


Geloof in het kind!

Kinderen die aangeven dat ze iets niet kunnen, zeggen eigenlijk: 'Ik geloof nog niet genoeg in mezelf en ik heb jou als leerkracht nodig, die in mij blijft geloven dat ik het kan, totdat ik ook in mezelf geloof.' Spreek positieve verwachtingen uit: ‘Ik vind het super van je dat je dit al wilt proberen’, klinkt bijvoorbeeld anders dan: ‘Ik denk niet dat jij hier al aan toe bent’.

Een klimaat waarin kinderen weten dat ze ertoe doen, dat ze gewaardeerd worden om wie ze zijn en waarbij ze alleen vergeleken worden met zichzelf kan een grote bijdrage leveren aan hun zelfvertrouwen. Laat een leerling wel altijd eindigen met het juiste antwoord.

Ook al is het een herhaling van een ander. Iedere leerling moet positief eindigen.


Creëer succeservaringen!

Stel haalbare, realistische doelen en zorg voor regelmatige succeservaringen in de specifieke situatie die angst veroorzaakt.

Uit de praktijk blijkt dat wanneer de verwachtingen van leerkrachten overwegend hoog en positief zijn, en hij/zij uitgaat van de talenten en de potentie van het kind, kinderen ook meer in zichzelf geloven en beter presteren. Wanneer de lat niet te laag, maar natuurlijk ook niet veel te hoog wordt gelegd, geef je een kind de kans om succeservaringen op te kunnen doen. Het zijn deze succeservaringen, die ervoor zorgen dat de motivatie voor het leren toeneemt en kinderen ook meer in zichzelf gaan geloven. En hoe groter het geloof in eigen kunnen bij kinderen is, hoe beter de leerprestaties en het welbevinden van kinderen.

Wanneer de lat (vaak onbewust) structureel lager wordt gelegd en kinderen onderschat worden, dan maken kinderen niet de sprong die zij in potentie hebben en doe je af aan hun talenten en mogelijkheden. Wanneer kinderen niet kunnen voortbouwen op succeservaringen en andere kinderen continu leersucces zien boeken kan twijfel en onzekerheid ontstaan met betrekking tot het zelfvertrouwen. Ook wanneer je de lat veel te hoog legt zal een kind weinig succeservaringen kunnen ervaren en de motivatie afnemen.

Kinderen verbergen gevoelens die met onzekerheid en incompetentie te maken hebben ook vaak, door bijvoorbeeld ongewenst sociaal gedrag te vertonen.


Geef positieve bevestiging en complimenten

Naast succeservaringen is de interactie met de leerkracht erg belangrijk.

Kinderen die ervaren dat een leerkracht ze ziet, prijst en in hen blijft geloven, voelen zich gewaardeerd en ontwikkelen ook een hogere zelfwaardering.

Complimenten kunnen grote effecten hebben. Onze hersenen activeren bij een compliment namelijk dopamine: een stof zorgt die voor een genotsgevoel. Complimenten maken kinderen (en volwassenen) ook zelfverzekerder en daardoor weerbaarder voor stress.

Als waardering lang uitblijft, is dat ook te zien in de hersenen. Bij pubers is dit netwerk in hun brein zelfs overgevoelig. Zij ervaren te weinig waardering soms als fysieke pijn.

Negatieve informatie werkt ook langer door in het brein dan positieve informatie. Uit de ontwikkelingspsychologie is bekend dat bij kinderen tegenover elke negatieve feedback zeker vijf keer positieve aandacht moet staan. Bij volwassenen ligt dit omslagpunt bij drie complimenten: dan worden we weer positiever en zelfverzekerder.


Hoewel ieder compliment een boost is voor het zelfvertrouwen, hangt het effect van een compliment wel af van de manier waarop het gegeven wordt. Zo is het compliment ‘wat heb je dat slim gedaan’ effectiever dan ‘wat ben je slim’. In het eerste geval focus je namelijk op het proces, het gedrag en de inspanning die het kind heeft geleverd (iets waar je invloed op hebt) en niet op een karaktereigenschap (iets waar je minder invloed op hebt).

Het is daarbij belangrijk dat je kinderen met name prijst voor hun inzet in plaats van talent.

Kinderen zullen dan een groeimindset ontwikkelen. Dat wil zeggen dat ze uitdagingen aangaan, doorzetten als het tegenzit en faalervaringen juist zien als leerervaringen.


Reageer op een neutrale, zakelijke manier op ongewenst en agressief gedrag

Ga niet in discussie. Onthoud dat de uitingen van agressie (schoppen, slaan, uitschelden e.d.) niet persoonlijk gericht zijn, maar een manier van het kind zijn om zijn veiligheid te verdedigen.


Help de leerling zijn/haar weerbaarheid te vergroten!

Naast het beschermen van de leerling is het van groot belang dat de leerling leert om beter met zijn/haar faalangst om te gaan. De leerkracht kan de leerling eventueel een sociale vaardigheidstraining aanbieden.


Help de leerling een andere kijk op problemen te ontwikkelen!

De leerkracht leert de leerling helpende gedachten aan. Dit is een cognitieve aanpak, die goede resultaten oplevert bij angstklachten. Als leerkracht kun je de leerling stimuleren om samen een helpende gedachte te bedenken, waardoor het doel wel behaald kan worden.

Hanteer daarbij het zogenaamde G-denken. G-denken dankt zijn naam aan het volgende: een gebeurtenis leidt tot gedachten, die leiden tot gevoelens en die weer tot gedrag.

Je analyseert samen met het kind een bepaalde gebeurtenis of activiteit.

Na afloop evalueer je dit en stel je een nieuw doel.

 

Effectieve feedback


Een compliment geven en je duim omhoog steken is niet hetzelfde als effectieve feedback geven. Kinderen leren van complimenten niet altijd welke stappen ze hebben gezet om de taak goed uit te voeren. Bij effectieve feedback stuur je het kind bewust in de goede richting. Ook geef je aan welke stappen het heeft gezet om tot een goed resultaat te komen. Feedback kun je op vier niveaus geven.


1. Feedback op de taak

'Je hebt de opdracht goed gedaan’ is een voorbeeld van oppervlakkige en algemene feedback. Kinderen hebben niet veel aan dit soort algemene feedback.

Bij goede feedback op de taak geef je gerichte informatie over hoe goed het kind de taak heeft begrepen of uitgevoerd. Hoe duidelijker en concreter deze feedback is, hoe beter kinderen die kunnen gebruiken om hun prestatie te verbeteren. Deze feedback is dus waardevoller voor het kind. Je benoemt het concreet gewenste gedrag en het positieve effect daarvan. Zo verhoog je het leerrendement.

Voorbeelden van specifieke feedback op een taak:

‘Je hebt alle materialen goed opgeruimd, zo kun je ze weer snel pakken als ze nodig zijn’

‘Ik zie dat je je schort hebt gepakt voor het verven. Fijn nu worden je kleren niet vies'.


2. Feedback op het proces

Deze vorm van feedback richt zich op het proces dat met de taak gepaard gaat.

Om tot een goed resultaat te komen moeten kinderen een proces in bepaalde stappen doorlopen. Als het kind de stappen op de juiste manier zet, komt het tot een goede uitvoering van de taak. Als je feedback geeft op het proces, is die specifiek en vooral gericht op de vooruitgang en inspanning van het kind. Deze vorm van feedback leert kinderen op welke concrete manieren ze leren. Deze manieren, ofwel leerstrategieën, kunnen zij ook toepassen bij andere opdrachten. Met een leerstrategie kan het kind zelfstandig leren. Voorbeelden van specifieke feedback op een proces zijn:

‘Ik vind het slim van je dat je eerst het stappenplan er nog even bij pakte.’


3. Feedback op zelfregulatie

Bij feedback op zelfregulatie staat de manier waarop kinderen hun handelen monitoren centraal. Kinderen leren om zichzelf te beoordelen of om feedback te krijgen en die vervolgens adequaat te gebruiken om een doel te bereiken. Dit zorgt ervoor dat ze reflecteren op hun eigen leren. Hiervoor zijn metacognitieve vaardigheden (executieve functies) van het kind essentieel. Als leerkracht heb je nu een coachende rol. Je laat het kind nadenken over de mogelijkheden, moeilijkheden, de doelen en de manier waarop het kind die doelen bereikt. Vragen die gericht zijn op het wat, waarom en hoe zijn hierbij belangrijk. Voorbeelden van specifieke feedback op zelfregulatie:

‘Wat vind jij goed en minder goed gegaan tijdens het bouwen?

‘De legpuzzel heb je snel en goed gemaakt. Kun je mij vertellen wat je hebt gedaan dat het vandaag zo snel en goed ging?’

‘Waardoor kon je vanmorgen geconcentreerd werken?’


4. Feedback gericht op de persoon

Prima, je bent geweldig!’ Met deze feedback richt je je op de persoon.

Meestal leiden dit soort complimenten niet tot betere resultaten.

Dit is niet-specifieke feedback.

Een valkuil kan zijn dat kinderen te afhankelijk worden van dit soort persoonsgebonden feedback. Wanneer het kind te afhankelijk is van dit soort persoonsgebonden complimenten, heeft het geen controle over het leerproces, terwijl dit juist zo belangrijk is. Als een kind wel controle heeft over zijn eigen leerproces, dan kan het zich ontwikkelen.


Mag je dan nooit meer complimenten geven op de persoon? Zeker wel!

Let er echter wel op dat je korte complimenten afwisselt met persoonsgerichte feedback waarbij je het concrete en actuele gedrag benoemt. Het is beter de persoonlijke waardering die je wilt geven te koppelen aan concreet en actueel gedrag.

Je benoemt dan de kwaliteiten van het kind.

Voorbeelden van persoonlijke waardering, gekoppeld aan concreet gedrag:

‘Jij hebt weer netjes opgeruimd!’

‘Je bijt je in de stof vast, net zolang tot je het snapt.’

‘Je bent erg behulpzaam vandaag.’

‘Jij bent een moedig meisje.’ ...met koppeling aan concreet gedrag van het kind

‘Prima gedaan hoor, je gebruikt alle kleuren van de regenboog, je bent heel creatief bezig!’


Feedback op zelfregulatie blijkt het meest effectief te zijn. Daarna volgen (in volgorde) feedback op het proces en feedback op de taak. Feedback op de persoon, de niet-specifieke, persoonlijke feedback, staat onderaan het lijstje.

 

Op zoek naar meer?


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest

Heb je zelf ook nog leuke suggesties? Laat dan een reactie achter!


.

11 weergaven0 opmerkingen