Zoeken
  • Juf Angelique

De ontwikkeling van de voorkeurshand bij kleuters

Bijgewerkt op: 15 mei

De meeste mensen hebben een voorkeurshand, slechts enkelen zijn zowel links- als rechtshandig (ambidextrie). In de eerste jaren gebruikt een kind allebei zijn handen nog.

Pas vanaf een jaar of zes kun je met zekerheid vaststellen of een kind links- of rechtshandig is. Dit heeft te maken met het lateralisatieproces. In deze blog vertel ik je er meer over.



Het brein


De meeste mensen ontwikkelen een voorkeurshand.

Met deze voorkeurshand voer je de meeste handelingen uit en oefen je dus het meeste. Deze hand ontwikkelt zich daardoor beter, heeft sterkere spieren en de motoriek is beter.

Dat is niet meteen vanaf je geboorte zo.

De eerste maanden van hun leven zijn de meeste baby’s rechtshandig. De reden hiervoor is onduidelijk. De positie in de buik zou ermee te maken kunnen hebben. De meeste baby’s liggen met hun rechterkant dichter bij de buikwand van de moeder, waardoor die kant meer prikkels zou ontvangen. Op die manier zou de rechterkant zich beter ontwikkelen

In de eerste jaren van hun leven ontwikkelen kinderen beide handen, al komt het weleens voor dat een kind dan al een voorkeurshand heeft. Het ontwikkelen van beide handen is ook belangrijk: aan beide kanten moeten de spieren sterker worden en de motoriek worden ontwikkeld. Zie je dat een kind al een voorkeurshand heeft, stimuleer dan ook het gebruik van zijn andere hand. Rond het derde jaar ‘kiest’ een kind meestal of hij rechts- of linkshandig is. Het komt ook voor dat kinderen dan nog beide handen gebruiken.

Kinderen wisselen tot ongeveer zes jaar van voorkeurshand of blijven tot die tijd tweehandig. Vanaf zes jaar kun je dus pas echt zien of je kind rechts- of linkshandig is.


Waarom een kind voor een bepaalde hand kiest, hangt van meerdere factoren af.

Voor een groot deel is het genetisch bepaald. Onderzoekster J.M. Lust ontdekte dat de hoeveelheid testosteron in het bloed van de moeder een grote invloed heeft op deze ontwikkeling. Overigens heeft de hoeveelheid testosteron in het bloed van de moeder ook invloed op het krijgen van dyslexie.

Linkshandige ouders hebben een grotere kans op het krijgen van kinderen met een voorkeur voor de linkerhand. Twee rechtshandige ouders hebben tien procent kans op een linkshandig kind, twee linkshandige ouders 26 procent. Maar bij een eeneiige tweeling kan, ondanks hun identieke genen, de een links- en de ander rechtshandig zijn.


De ontwikkeling van de handvoorkeur heeft ook te maken met een rijpingsproces van de hersenhelften, waarbij iedere helft zich specialiseert in zijn eigen specifieke functies.

De verschillende hersenhelften hebben verschillende functies: de linkerhersenhelft zorgt voor analytische waarneming, is het centrum van spraak, rekenvaardigheden, het denkvermogen en logica en het regelt het tijdsbewustzijn. De rechterhersenhelft zorgt voor de globale waarneming en de intuïtie en is het centrum van ritmisch en artistiek vermogen

De ene hersenhelft ontwikkelt zich uiteindelijk wat meer dan de andere helft, de zogenaamde dominante helft, en dit bepaalt of iemand uiteindelijk links- of rechtshandig wordt. In een normale ontwikkeling staat voor het 7e jaar duidelijk vast welke hand de voorkeurshand is. Rechtshandigen hebben meestal een meer ontwikkelde linker hersenhelft en linkshandigen een meer ontwikkelde rechter hersenhelft.


Soms wordt er ook gesuggereerd dat linkshandigheid kan ontstaan door zuurstofgebrek bij de geboorte. Door beschadiging van de ene kant van de hersenen wordt dan de andere kant sterker ontwikkeld.

 

De ontwikkeling van de motoriek


Voordat een kind kan gaan schrijven, moet het een aantal stappen in de ontwikkeling van zijn hersenen (de neurologische ontwikkeling) hebben gemaakt. In de ontwikkeling van de motoriek zijn meerdere fases te onderscheiden. Deze fasen lopen in elkaar over.

Als een kind alle fasen heeft doorlopen, heeft het zich een voorkeurshand ontwikkeld, waarbij een goede samenwerking aanwezig is tussen handen en ogen met een sturing vanuit de hersenen. In de theorie van de neuroloog Mesker wordt onderscheid gemaakt tussen de slurffase, de symmetrische fase, de lateralisatiefase en de dominantiefase.


De slurffase

Deze fase vindt plaats tussen 0-9 maanden

In deze fase bewegen de linker- en rechter lichaamshelft precies tegenover gesteld aan elkaar. Wanneer de linkerhand iets vastklemt, zal de rechterhand zich helemaal spreiden.

Dit is de fase waarin baby’s één zijde van het lichaam kunnen aanspannen en de andere zijde van het lichaam kunnen ontspannen. Ze kunnen dan bijvoorbeeld met één hand knijpen en de andere hand spreiden. Een kind dat deze fase niet goed doorstaat kan hier later mogelijk problemen mee krijgen. Sommige kinderen slaan in deze fase het kruipen over. Afzetten met twee voeten tegelijk wordt dan bijvoorbeeld moeilijk.


De symmetrische fase

Deze fase begint vaak zo rond het 1e/ 2e levensjaar en loopt door tot ongeveer 6 jaar oud.

In deze fase zijn de bewegingen nog vooral symmetrisch doordat de linker- en rechterhersenhelft precies dezelfde prikkels doorgeven.

In deze fase maken beide zijden van het lichaam dezelfde, gelijke bewegingen in elkaars spiegelbeeld. Het is voor een kind in deze fase onmogelijk om met één lichaamshelft te bewegen zonder dat de andere dwangmatig meebeweegt.

Dat is ook waarom een jong kind nog moeite heeft met links en rechts

Peuters en kleuters gebruiken de linker- en de rechterhand ook ongeveer evenveel.

Opvallend is dat ze met de handen hun eigen middellijn nog niet kunnen kruisen: als een blokje aan de linkerkant ligt, wordt het met links opgepakt.

Moet het blokje daarna in een bakje die rechts van het kind staat?

Dan pakt het kind het blokje midden voor het lichaam over met de rechterhand.


De lateralisatiefase

Deze fase is het duidelijkste zichtbaar tussen de 6 en 9 jaar.

In deze fase wordt de samenwerking tussen beide lichaamshelften steeds beter en leert het kind uiteindelijk onderscheid maken tussen de linker- en de rechterkant van het lichaam.

Een groot verschil met de symmetrische fase is dat in deze fase de linker- en rechterkant van het lichaam wel apart van elkaar kunnen bewegen.

Hierdoor worden veel bewegingen een stuk makkelijker.

Gedurende deze fase wordt de linker- of rechterhersenhelft dominant in het aansturen van het brein, de ogen, oren, handen en voeten. Er ontstaat dan een voorkeurshand.

Deze voorkeurshand voert de fijn motorische handelingen uit en de andere hand assisteert daarbij. Pas wanneer duidelijk is welke kant dominant blijft, is ook duidelijk of een kind met name vanuit zijn linker- of rechter hersenhelft wordt aangestuurd.

Bewegingen worden in deze fase ook kleiner en gerichter.


De dominantiefase

Het einddoel van de motorische ontwikkeling, meestal na de leeftijd van 9jaar) is de dominantiefase. Dit is de fase waarin één zijde kan bewegen zonder dat de andere zijde mee doet; de dominante hersenhelft is bepaald. In deze fase is het mogelijk om doelbewust te bewegen zonder overbodige bij bewegingen. Hierbij kunnen verschillende lichaamsdelen samenwerken. Een kind kan tijdens deze fase meerdere dingen tegelijk uitvoeren. Een voorbeeld hiervan is jongleren.


Het is belangrijk dat de ontwikkeling in iedere fase goed doorgemaakt wordt.

Daardoor wordt er een stevige basis voor de volgende fase gelegd zodat het kind daar verder op kan bouwen. Is die basis niet stevig genoeg dan vallen er gaten waarop het kind dan verder moet bouwen. Vanzelfsprekend is er dan een flinke kans dat het kind op een gegeven moment de dingen niet mee bij kan benen en in de problemen komt.

Jammer genoeg gaan de meeste kinderen in ons onderwijs al leren schrijven voordat de lateralisatie is afgerond. Eigenlijk beginnen veel kinderen in dat geval dus té vroeg aan het schrijfonderwijs met alle gevolgen van dien.

 

Verstoringen in de ontwikkelingsfasen


In dit ontwikkelingsproces van de hersenen, als aanstuurder, en het lichaam, als uitvoerend orgaan, vinden regelmatig verstoringen plaats die de ontwikkeling belemmeren.


Problemen met reflexen

Een bekende ‘verstoring’ is gelegen in het nog actief zijn van reflexen die al verdwenen zouden moeten zijn of al omgezet hadden moeten zijn naar meer volwassen reflexen.

Het effect van deze nog actieve reflexen komt vaak pas naar voren als er meer precisie werk van een kind gevraagd wordt zoals wanneer het naar school gaat.

Deze reflexen beginnen al rond de 4e/5e maand van de zwangerschap en verdwijnen ongeveer 6 maanden na de geboorte. Soms blijven deze reflexen echter actief.

De oorzaken daarvan zijn soms duidelijk, soms ook niet. Het gevolg hiervan is dat deze reflexen de ontwikkeling van een kind kunnen verstoren. Daarbij kun je aan o.a. de motoriek van het kind zien welke reflexen er nog niet voldoende geremd zijn.

Dit is ook goed te testen door een therapeut die daar verstand van heeft.

De nog actieve reflexen kunnen met speciale oefeningen alsnog gedempt worden zodat deze zijn ontwikkeling niet meer verstoren.


Problemen met de symmetrische fase

Kinderen die in de symmetrische fase blijven hangen kenmerken zich vaak door:

  • Bij bewegingen die de primaire beweging niet ondersteunen.

  • Kinderen knippen dan bijvoorbeeld met hun mond open

  • De mond maakt dezelfde open en sluit beweging als de schaar, echter helpt dit natuurlijk niet mee aan het knippen.

  • Ook kan bijvoorbeeld een slechte pengreep ontstaan in deze fase

Problemen met de lateralisatiefase

Soms ervaren kleuters problemen met de lateralisatiefase. Bij hoogbegaafde kinderen komt het zelfs vaak voor dat ze niet goed lateraliseren. Ze slaan vaak vroege ontwikkelingsfasen zoals de kruipfase over omdat ze anders leren. Mogelijke kenmerken waaraan je kan zien dat het lateralisatie proces niet goed verlopen is, zijn:

  • Als de lateralisatie niet optimaal ontwikkelt, kan een kind lang blijven wisselen van handvoorkeur of ontstaat er verwarring over de bewegingsrichting.

  • Afwisselend knippen met links en rechts.

  • Moeite hebben met het kruisen van de middellijn: als een blokje aan de linkerkant ligt, wordt het met links opgepakt.

  • Het hele lichaam beweegt mee als een kind met twee handen een bal willen pakken die naast hem ligt.

  • Letters en cijfers worden gespiegeld en de eigen naam wordt van rechts naar links geschreven.

  • Moeite hebben met alle begrippen die een richting aangeven, bijvoorbeeld links en rechts, voor en achter, op en onder. Vaak heeft dit ook invloed op de leesrichting en de schrijfrichting.

  • Moeite hebben met structureren, organiseren en plannen.

  • Kinderen die nog moeite hebben om met hun handen de middenlijn van hun lichaam te kruisen zitten vaak scheef of gedraaid aan hun tafel te werken. In zo’n gedraaide of scheve zithouding kun je namelijk met je ene hand ook de andere kant van je tafel, tekening of schrijfwerk bereiken. Bij het kleuren zie je kinderen dan veelvuldig draaien óf overpakken naar de andere hand. Ook wordt het papier veel gedraaid. Een prachtige truc om de motorische problemen te omzeilen maar het is wel een duidelijk teken van onvermogen om de middenlijn te kruisen.

  • Een slecht evenwicht

  • Een slechte oog-hand coördinatie

  • Moeite met automatiseren

  • Moeite met stilzitten

  • Moeite met concentreren

  • Moeite met het leren fietsen en zwemmen

Niet alle kenmerken hoeven aanwezig te zijn en een hoogbegaafd kind kan de kenmerken ook vaak goed maskeren.


Het is heel belangrijk om jonge kinderen tijdens de lateralisatiefase niet te sturen in een richting en de schrijfrichting mag ook nog alle kanten op gaan.

Het spiegelen van letters mag in deze fase ook nog niet gecorrigeerd worden.

Daarmee verstoor je namelijk het lateralisatieproces.


Om kinderen de gelegenheid te geven om beide zijden van hun lichaam goed te ontwikkelen, voordat ze echt goed de specialisatie van één kant in kunnen gaan, is het belangrijk dat je steeds begint om met twee handen (of twee voeten) tegelijk iets te oefenen. Laten je ze dingen met één kant doen dan oefen je de andere kant ook, zodat beide zijden van het lichaam zich even goed kunnen ontwikkelen.

 

Het leren kruisen van de middellijn


De middellijn is een denkbeeldige lijn in het midden van het lichaam.

Het kruisen is het vermogen om met je armen en benen over het midden van het lichaam te zodat je een taak aan de andere zijde van het lichaam uit kan voeren.

We kruisen de middellijn bijvoorbeeld als we een ellenboog krabben, onze enkels kruisen en van links naar rechts lezen. Allebei de hersenhelften moeten daarbij samenwerken.

Het kruisen van de middellijn helpt verbindingen te bouwen in de hersenen.

Het is een belangrijke vereiste vaardigheid die nodig is voor de juiste ontwikkeling van verschillende motorische en cognitieve vaardigheden.


Wat heeft dit te maken met dominante hand? Beide kanten van de hersenen moeten met elkaar praten om de “dominante hand” en de “ondersteunende hand” te laten samenwerken en elkaar aan te vullen. Het coördineren van beide kanten van het lichaam kan moeilijk zijn voor het kind dat de middellijn niet overschrijdt. Het ontwikkelen van een voorkeurshand is een teken dat de hersenen rijpen en de mogelijkheid om de middellijn te oversteken ontwikkelt.


Om een kind te laten lateraliseren is het daarom belangrijk om ze veel kruislingse bewegingen te laten maken, waarbij de middellijn gekruist moet worden.

Een aantal voorbeelden van dit soort oefeningen:

  • Met een strook crêpepapier of een lint grote figuren maken voor het lichaam (cirkels linksom en rechtsom, een liggende acht).

  • Klapspelletjes zoals “Papegaaitje leef je nog”

  • In een kring een bal doorgeven.

  • Houdingen imiteren, bijvoorbeeld: leg je linkerhand op je rechterknie. Met de rechterhand het linkeroor pakken en andere kruislingse bewegingen.

  • Leg materialen niet alleen midden voor, maar ook links en rechts en stimuleer het kind om over de middellijn iets te pakken.

  • Hinkelen

  • Touwtje springen

  • Tweehandig met wasco op muziek werken.

  • Met beide handen een lemniscaat (liggende 8) maken. In zand, met een natte spons op het (tafel-)bord of op een groot vel papier. Naderhand kunnen de kinderen er een vlinder of ander dier van maken en die inkleuren of versieren.

Als het brein goed functioneert, kan ook het bewegingsapparaat aangestuurd worden.

De grote en de kleine motoriek hoeven niet ná elkaar geoefend te worden.

Het kan ook heel goed naast elkaar.

 

Linkshandigheid

Slechts tien tot vijftien procent van de Nederlandse bevolking ontwikkelt een voorkeur voor de linkerhand. Linkshandigheid is overigens niet puur menselijk! Het komt bijvoorbeeld ook bij mensapen voor. Omdat de meeste mensen rechtshandig zijn, is de maatschappij ook vooral hierop gericht. Veel voorwerpen zijn ontworpen voor rechtshandige mensen.

Denk hierbij aan scharen, gereedschap en voorwerpen met een asymmetrische vorm.


Linkshandigheid kan aangeboren of aangeleerd zijn. Tot de jaren 70 van de vorige eeuw werd linkshandigheid niet of nauwelijks geaccepteerd. Als een kind linkshandig schreef, dan werd het gecorrigeerd en gedwongen om met de rechterhand te schrijven. Dit gebeurde soms hardhandig door met een liniaal op de linkerhand te slaan. Deze groep mensen is dus eigenlijk linkshandig maar noodgedwongen rechtshandig geworden.

Gekruiste dominantie, bijvoorbeeld rechtshandig en linksogig handelen, kan door oriëntatielabiliteit problemen geven bij lezen, schrijven en rekenen.


Linkshandigen lopen bij het schrijven vaak tegen de volgende problemen aan:

  • Ze gaan tijdens het schrijven met hun hand over de pas geschreven tekst heen, waardoor de nog natte inkt een vlekkerig resultaat op kan leveren. Vulpennen zijn om deze reden niet aan te raden voor linkshandigen.

  • Voor linkshandige mensen is het ook vermoeiender om te schrijven omdat ze hier hun vingers bij moeten gebruiken. De pen wordt over het papier geduwd terwijl rechtshandige mensen vanuit hun pols schrijven en de pen over het papier trekken.

  • De schrijfarm ligt boven het te beschrijven vlak met een geknakte pols.

  • De pen wordt verkeerd vastgehouden.

  • Het schrift ligt recht voor of rechts van de middenas van het kind.

  • Het schrift ligt evenwijdig aan de tafelrand of met de rechterbovenhoek hoger dan de linkerbovenhoek.

  • Het kind schrijft in verschillende richtingen.

  • Het kind zit scheef voor de tafel. Het kind stoot met de ellenboog van een rechtshandig kind naast hem.

Met onderstaande punten kan de leerkracht zorgen voor een optimale beginsituatie voor en begeleiding van het linkshandige kind.

  • Zorg voor een zitplaats links van een rechtshandige, zodat stoten met de ellenbogen wordt voorkomen.

  • Zoek samen naar de beste papierligging, zodat het kind fijn schrijft met het beste resultaat. Leg het papier iets rechts hellend neer, links van je navel, in verband met de bewegingsvrijheid van de schrijfhand en zicht op het papier en de eventuele schrijflijn.

  • Het kind plaatst de schrijfhand onder de regel in plaats van erboven.

  • Het kind plaatst de pols liggend in plaats van staand, waarbij de pen naar de linker schouder wijst.

  • Pak het schrijfgereedschap wat hoger vast. Houd vingers tenminste 2,5 cm van de punt van het schrijfgereedschap af vast, in verband met zicht op wat je schrijft.

  • Het licht valt aan de rechterkant van het kind binnen.

  • Laat kinderen gereedschappen gebruiken, die voor linkshandigen bedoeld zijn.

  • Schrijf met een stevige punt (potlood of fijnschrijver), aangezien je moet duwen om de schrijfbeweging van links naar rechts te maken. Daarom is ook een niet al te spitse punt aan te raden, om niet in het papier te steken.

  • De kwaliteit van het papier moet niet te glad zijn in verband met wegglijden dan wel uitschieten van de pen.

  • Let op de ligging van je schrift, taalboek enzovoort. Dit moet rechts in plaats van links van de schrijver liggen, zodat de inhoud steeds goed te zien is.

  • Houd je ellenboog wat dichter bij het lichaam. Je hoeft hem niet steeds op die plaats te houden.

Het is van belang om je te realiseren dat linkshandigheid geen handicap is.

Net als rechtshandigheid heeft het voor- en nadelen. Kinderen moeten daarom niet worden ontmoedigd linkshandig te zijn, als zij van nature linkshandig zijn

 

Ambidextrie


Als je merkt dat een kind met beide handen op dezelfde manier schrijft en tekent, dan kan het zo zijn dat het kind tweehandig is.

Naar schatting 1% van de totale bevolking is zowel linkshandig als rechtshandig.

Dit fenomeen wordt ambidextrie genoemd. Als de linkerkant en rechterkant van de hersenen gelijkwaardig aan elkaar zijn dan ben je ambidexter.

De betekenis van dit woord komt uit het Latijn en wordt gevormd uit de woorden ambo (beide tezamen, twee) en dexter (rechts), dextera (rechterhand).

Ambidextrie kan optreden door het gebruik van één voorkeurskant voor een bepaalde taak (bijvoorbeeld schrijven met de linkerhand en tennissen met de rechterhand), maar vooral door het even handig gebruik van handen of voeten (bijvoorbeeld Lionel Messi, hij speelt tweebenig voetbal). Veel mensen hebben enige mate van ambidextrie omdat slechts weinigen volledig uitgesproken links- of rechtshandig zijn.

Ambidextrie kan aangeboren, maar ook of verworven zijn. Zo zijn er bijvoorbeeld mensen die vanwege een blessure of ziekte taken met de andere hand uitvoeren. Vaak is de motoriek aan de niet-voorkeurszijde zwakker en wordt de taak onhandiger uitgevoerd dan met de eigenlijke voorkeurskant.


De meningen lopen uiteen of het een geluk of een gebrek is om ambidextrie te hebben, omdat hieraan zowel positieve als negatieve eigenschappen toegeschreven worden.

Positieve eigenschappen die aan ambidexters toebedeeld worden zijn:

  • Een hoge creativiteit

  • Een hoog I.Q.

  • Een beter taalvermogen.

  • Beide handen of voeten kunnen gebruiken is handig met sporten

Relatief veel ambidexters (en linkshandigen) zijn kunstenaars. Omdat bij ambidexters de hersenen symmetrisch ontwikkeld zijn met een relatief brede hersenbalk, wordt er geen stempel door één van de beide hersenhelften gedrukt. Juist hierdoor denken ambidexters meer “out of the box”. Een aantal beroemde personen waren ook ambidexter: Michelangelo, Leonardo da Vinci, Einstein en veel andere kunstenaars, sporters en muzikanten. Ook Youp van het Hek is ambidexter.


Nadelige eigenschappen die aan ambidexters toebedeeld worden zijn:

  • Meer taalproblemen (dyslexie)

  • Meer aandacht stoornissen zoals ADHD en ADD

  • Meer leerproblemen

  • Makkelijker emotioneel te beïnvloeden

  • Een verhoogd risico op schizofrenie.

  • Moeite met gecijferdheid, geheugenoefeningen en logisch redeneren

 

De handvoorkeur testen


Het vaststellen van de voorkeurshand is belangrijk voor het beginnen met schrijven.

Bij het bekijken van de voorkeurshand is men geneigd om vooral naar de schrijfhand te kijken. Automatische handelingen, zoals tegen een bal trappen, eten of krabben, laten echter een betrouwbaarder beeld zien van de handvoorkeur dan activiteiten zoals tekenen en kleuren, omdat hierin soms aangeleerd gedrag te zien is.


Bij een pasgeboren baby is soms al te zien naar welke kant zijn voorkeur uitgaat, dat is de kant waar hij zijn hoofd het vaakst naar toe draait. Hou er wel rekening mee dat kinderen op jonge leeftijd nog experimenteren met beide kanten. Een kind ontwikkelt pas rond zijn zesde jaar een definitieve voorkeurshand. Voor die tijd kun je wel al wat testen doen om de meest waarschijnlijke voorkeur te ontdekken.


Om vast te stellen welke hand de voorkeur heeft bij het uitvoeren van verschillende activiteiten wordt soms ook een test gedaan. Stel daarbij vragen over het gebruik van de linkerhand of de rechterhand. Met welke hand, oog of voet....

  • Wijst het kind lichaamsdelen aan?

  • Belt het kind met een (speelgoed-) telefoon?

  • Stoft, zeemt of veegt het kind?

  • Doet het kind knikkers of iets dergelijks in een bekertje?

  • Rolt het kind een bal ergens naartoe (bijvoorbeeld naar kegels of naar een doos).

  • Gooit het kind een bal ver weg (of in een emmer of bak)?

  • Wijst het kind een plaatje aan?

  • Houdt het kind een gieter vast om planten water te geven?

  • Raapt het kind een blokje (of iets anders) op?

  • Gumt het kind een potloodlijn uit?

  • Tekent of schrijft het kind iets? Welke hand levert grafisch de beste resultaten op?

  • Knipt het kind een papier door?

  • Kamt of borstelt het kind zijn haar?

  • Pakt het kind een voorwerp aan?

  • Poetst het kind zijn tanden?

  • Kijkt het kind door een wc rolletje?

  • Voetbalt het kind? Linkshandige kinderen schoppen eerder een bal met hun linkervoet en hebben, wanneer ze op één been moeten staan, een betere balans met links.

  • Pakt het kind zijn limonadebeker vast?

  • Roert het kind met zijn lepel. Linkshandige kinderen roeren in een (denkbeeldige) kom tegen de klok in. Rechtshandige kinderen roeren met de klok mee.

  • Timmert het kind

Bij de afname van een item wordt het betreffende voorwerp recht voor het kind op tafel neergelegd en wordt aan het kind gevraagd daarmee een taak uit te voeren. De voorwerpen en gereedschappen zijn zo gekozen dat ze linkshandig en rechtshandig even goed te gebruiken zijn (dat geldt ook voor de schaar die zowel linkshandig als rechtshandig knipt).


Om de totaalscore te bepalen geeft het antwoord "links" de score -1, "beide" de score 0 en "rechts" de score +1. Uit de score blijkt de dominante hand of tweehandigheid (ambidexter). De score kan variëren van - voor (extreme) linkshandigheid tot + voor (extreme) rechtshandigheid. Bij ambidexters zal een score rondom het getal 0 te zien zijn.


Neem deze proefjes minstens tweemaal af met een tussenperiode.

Observeer! Kijk over een langere periode met welke hand een kind zaken aanpakt, oppakt, kleurt, enzovoort. Kruist het daarbij de lichaamsas, dan is de voorkeur duidelijker. Bijvoorbeeld: een pen die rechts van het kind ligt, wordt met de linkerhand gepakt (met rechts zou de kortste weg zijn).


Er zijn ook tweehandige bewegingen; daarbij wordt de ene hand gebruikt om het voorwerp vast te houden en de andere om de handeling uit te voeren. Let op de hand die kracht zet en de handeling uitvoert. Denk bijvoorbeeld aan:

  • Het deksel van of op een potje draaien

  • Een schroefdop op een flesje open of dicht draaien

  • Een moer aandraaien

  • Tweehandig op het bord of papier werken.

  • Knippen

 

Externe hulp


Kinderen in de kleuterleeftijd zijn nog in de fase waarin de lateralisatie zich aan het ontwikkelen is. Het is dus normaal als kinderen op deze leeftijd nog geen voorkeurshand en/of goede pengreep hebben. Als het kind gaat leren schrijven is het wel belangrijk dat een kind een voorkeurshand heeft.


Als een kind in de laatste maanden in groep 2 nog helemaal geen handvoorkeur heeft kan een ergotherapeut een onderzoek doen naar de handdominantie. Er kan ook met kinesitherapie aan worden gewerkt. Op basis daarvan kan een keus gemaakt worden welke hand als voorkeurshand gestimuleerd zal gaan worden.


Tips om de handvoorkeur te stimuleren:

  • Geef aan met een armbandje of nagellak op één duim welke hand de voorkeurshand is/wordt

  • Plak een sticker op die kant van de tafel

  • Herinner het kind eraan deze hand te gebruiken bij kleuren, tekenen, en knippen

  • Vraag het kind om met de voorkeurshand te pakken als je iets aan het kind geeft

  • Laat het kind met de voorkeurshand een flesje open en dicht draaien of een moer op een schroef

  • Laat het kind vormen omtrekken, de hulphand houdt de vorm vast op het papier, de voorkeurshand trekt de vorm om

 

Op zoek naar meer?


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest

Heb je zelf ook nog leuke suggesties? Laat dan een reactie achter!




. .