Zoeken

De rol van de leerkracht in de bouw-/constructiehoek

Juist in de bouw-/constructiehoek zijn vaardigheden erg belangrijk en kun je er niet van uitgaan dat kinderen uit zichzelf gaan bouwen als ze dit niet kunnen. Dit moeten ze leren.

Begeleiding van de leerkracht in de bouwhoek is dus heel belangrijk en gaat verder dan alleen de inrichting verzorgen. Hoe kun je als leerkracht kinderen betrokken laten bouwen, zodat de complexiteit van een bouwwerk toeneemt en je kinderen verder op weg helpt in de volle breedte van hun ontwikkeling? Daarover lees je in deze blog.

Voorbereiden

Wanneer we spreken van leren door te spelen, bedoelen we dat kinderen het geleerde moeten verwerken tijdens het spel, voor ze zich de nieuwe kennis en vaardigheden eigen maken en in een andere situatie kunnen gebruiken. Alleen vrij spel is dus nog geen onderwijs; het wordt pas onderwijs doordat de leerkracht invloed uitoefent op dat vrije spel. Om kansen te pakken en te creëren om de ontwikkeling van kinderen te stimuleren, zorgt de leerkracht voor de juiste inbreng vooraf, tijdens en na het spelen in de bouw-/ constructiehoek. De inbreng vooraf kan bestaan uit:


* Kennis opdoen:

Een leerkracht die kennis heeft van de verschillende ontwikkelingsfasen van bouwen en construeren, kan qua materialen en spel beter inspelen op de behoeften van ieder kind en de zone van de naaste ontwikkeling.


* De bouw-/constructiehoek inrichten:

Een andere voorwaarde om tot rijk spel te komen is dat de bouw-/constructiehoek een afgebakende ruimte is en niet bij drukke hoeken of looproutes ligt. De bouwhoek moet daarnaast groot genoeg zijn. Hierdoor zorgt de leerkracht ervoor dat er genoeg ruimte is voor een groepje kinderen om uitgebreide bouwwerken te maken, deze een periode te laten staan of er de volgende dag aan verder te laten werken.


* Zorgen voor een passend activiteitenaanbod:

Bied activiteiten zorgvuldig aan en vraag je daarbij steeds af welke leerervaring of welke ontwikkeling je op gang brengt. In een betrokken activiteit voelt een kind zich uitgedaagd en wil het zich verder ontwikkelen. Hoge betrokkenheid tijdens het spelen kun je bereiken door ervoor te zorgen dat de hoek betekenis krijgt bij de kinderen. Dit doe je door in gesprek te gaan en na te gaan wat een kind bezighoudt en waar zijn/haar interesses liggen. Misschien is een kind wild van auto’s of dino’s en creëer je meer betrokkenheid door spel rondom deze onderwerpen uit te lokken.


* Groepjes samenstellen:

Zorg dat een activiteit in de bouw-/constructiehoek altijd in een klein groepsverband plaatsvindt. Spelenderwijs stuit een kind op problemen tijdens het bouwen en construeren die hij bouwtechnisch moet oplossen. Deze problemen worden beter opgelost, wanneer kinderen de input krijgen van elkaar. Bouwen en construeren met andere kinderen betekent niet alleen leren met elkaar, maar ook van elkaar. Een leerkracht kan hierbij ondersteunen door een ander kind met veel ervaring als ‘bouwexpert’ erbij te vragen. Samenspel met andere kinderen zorgt ervoor dat er een uitwisseling van ideeën op gang komt en dat kinderen elkaar stimuleren tot verbreding of verdieping van de bouwactiviteiten. Door onderling contact en samenspel worden leerlingen bovendien automatisch aangespoord te communiceren, taal te gebruiken en hardop na te denken. Houd er wel rekening mee dat je ander spel zult zien als je een aantal kinderen bij elkaar zet die zich in dezelfde ontwikkelingsfase bevinden, dan kinderen die zich niet allemaal in dezelfde ontwikkelingsfase bevinden. Wat er gebouwd wordt, met welke complexiteit en hoe er onderling gecommuniceerd wordt is verder ook afhankelijk van aspecten zoals het aantal kinderen en hoe de groep tot stand komt. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat wanneer een meer vaardige bouwer een meisje is in de samenstelling van de groep, dat dit meestal leidt tot meer complexiteit van een bouwwerk, doordat er vaker meer overleg en steun wordt geboden aan het minder ervaren bouwmaatje. Meisjes zullen over ’t algemeen de ander eerder aanmoedigen, een opdracht geven of assisteren. Bij jongens blijkt dat zij meer de focus hebben op het bouwen zelf en niet zo snel worden beïnvloed door de communicatie van een bouwmaatje. Jongens tonen vaak een hoge betrokkenheid bij hun bouwactiviteit en sluiten zich dan af van de omgeving. Wees je dus bewust welke kinderen je in de bouwhoek uitnodigt en vorm gemengde groepen op basis van geslacht en bouwervaring.


Kiezen of verdelen?

Sommige leerkrachten delen het spel in de hoeken uit en noteren ook waar de kinderen hebben gespeeld. Maar waarom eigenlijk? Waarom houden we dit bij? Wat doen we ermee?

Wat maakt het uit hoe vaak een kind ergens speelt? Het aantal keren dat een kind ergens speelt zegt namelijk helemaal niets over de spelkwaliteit.

Je kunt kinderen ook zelf laten kiezen. Op deze manier zal het kind ontdekken wat het leuk vindt en die dingen kiezen die aansluiten bij de eigen interesses en mogelijkheden en waar het op dat moment aan toe is. Elk kind heeft vaak zijn eigen voorkeur voor bepaalde spelletjes. Deze heeft dan vaak weer te maken met bepaalde vaardigheden.

Zelf een keuze leren maken heeft bovendien een belangrijke waarde: ook in het latere leven moet er natuurlijk steeds opnieuw gekozen worden.

Het gaat dan niet zo maar om een onbeperkte keuze: Het kiezen wordt natuurlijk ook wel beperkt. Niet alle kinderen kunnen immers tegelijkertijd in dezelfde hoek spelen.

Misschien kiest een kind lange tijd voor eenzelfde activiteit omdat het er voordien een lange tijd weinig interesse voor had. Een kleuter kan echter ook bang zijn dat iets niet gaat lukken en kan daarom altijd voor een vertrouwde activiteit kiezen. In dat geval is het goed het kind juist wel te stimuleren ook eens iets anders te kiezen. Door het spel van kinderen te observeren weet je snel genoeg of er sprake is van angst of interesse.


Je kunt bijvoorbeeld een kiesbord gebruiken om visueel te maken hoeveel kinderen in een hoek mogen spelen. Hierop zijn alle hoeken en activiteiten te zien waarvoor de kinderen kunnen kiezen en bij iedere hoek of activiteit hangen er evenveel spijkertjes, klittenbandjes of iets dergelijks als dat er speelplekken zijn. Wanneer de kinderen voor een hoek of activiteit kiezen hangen ze hun naam, symbool of foto bij een afbeelding hiervan.

Je kunt de naamkaartjes, symbolen of foto's ook al zelf ergens bij hangen zodat de kinderen kunnen zien wat ze die dag gaan doen.

De voordelen van een kiesbord zijn:

* De kinderen hebben op die manier overzicht waaruit ze nog kunnen kiezen.

* Ze zien hoeveel kinderen ergens mee mogen spelen.

* Als een hoek of activiteit gesloten is kun je deze weglaten of omdraaien.

* De leerkracht ziet wie waar hoort te spelen.

* De kinderen maken een weloverwogen keuze. Dit helpt de kinderen die moeite hebben met opstarten ook wat extra.

* Je kunt het bij de inloop meteen als aanwezigheidsbord gebruiken.

Nadelen van een kiesbord kunnen zijn:

* Met 30 aarzelende kleuters kan het kiezen soms erg lang duren. Het kan dan wel helpen om kinderen vooraf te vragen om een plan A en een plan B, voor als plan A al vol zit.

* Soms zijn kinderen erg "creatief"en verwisselen zij zelf stiekem de kaartjes.


Soms wordt er bij kleuters ook gebruik gemaakt van een takenbord, waar de taken die de kinderen die week moeten doen op staan of een planbord, waarop de kinderen vooraf kunnen aangeven wanneer ze een activiteit/taak gaan inplannen.

Taken en plannen komen voort uit het Daltononderwijs. Voor de invoering van de Wet op het basisonderwijs in 1985 vond dit alleen plaats in klas 1 tot en met klas 6.

Met de samenvoeging van kleuterschool en lagere school werd het ook doorgevoerd naar groep 1-2, zonder echter te kijken naar de breinontwikkeling van het jonge kind.

Wanneer je kijkt naar de breinontwikkeling van een jong kind dan is het de vraag of plannen een realistisch doel is bij jonge kinderen. Plannen gebeurt meestal voor een week.

Het jonge kind heeft echter nog weinig tijdsbesef en leeft in het hier en nu.


Daarnaast missen veel jonge kleuters nog de zelfsturing die nodig is voor het werken met een planbord. Zij kunnen nog maar een korte tijd gericht met een activiteit bezig zijn.

En kinderen op jonge leeftijd aanleren dat ze iets moeten doen, omdat de leerkracht dat voor ze heeft bedacht, geeft een boodschap af dat leren iets is wat je doet voor de leerkracht. Het zet in op excentrieke motivatie en niet op intrinsieke motivatie.

Kinderen kunnen echter heel goed leren plannen in de context van de speelwerktijd.

Vooraf bedenken wat je wilt gaan doen, wat je daarvoor nodig hebt en hoe je dat gaat doen is een meer passende manier om aan planningsvaardigheden van jonge kinderen te werken. Wanneer kinderen spelen is er bovendien ook sprake van een oefening in het zelfstandig werken, omdat ze hun eigen bezigheden hebben.


Tijdens het spelen

Een voorwaarde om te kunnen komen tot rijk spel is zorgen voor voldoende speeltijd (minstens 50-60 aaneengesloten minuten). Als er te weinig tijd is, dan zijn kinderen vooral bezig om materiaal te pakken en weer op te ruimen, wat ook erg frustrerend kan zijn.


Hoe je het spelen begeleidt heeft alles te maken met jouw eigen visie op spel.

Betekent spelen voor jou zelf kiezen of in opdracht ergens aan de gang gaan?

Betekent spelen voor jou doelvrij bezig zijn of vind je dat een leerkracht er ook best een opdracht bij mag geven? Vind je het proces belangrijker of het eindproduct?

Geef je opdrachten of suggesties? Wat als je om een kasteel hebt gevraagd en de kinderen bouwen een boerderij? Mogen de kinderen van jou zelf een betekenis geven aan de materialen waarmee ze spelen of geef jij die? Kortom...wat is jouw definitie van spel?

Het is belangrijk om daarbij stil te staan, omdat je er in jouw begeleiding anders zomaar voor zou kunnen zorgen dat spel werken wordt en dat je dan aan je eigen doel voorbij gaat.


Bij de begeleiding van het spelen in hoeken heeft de leraar verschillende rollen.

Hij/zij kan het spel observeren, sturen, beinvloeden, stimuleren, begeleiden.

De leerkracht is in de eerste plaats echter een observator. Sturen beinvloeden, stimuleren, begeleiden is alleen nodig wanneer kinderen zelf geen rijk spel laten zien.

Daarnaast is de leerkracht bemiddelaar, waarbij hij/zij interactie uitlokt tussen kinderen.

Verder is de leerkracht een speelmaatje, waarbij hij/zij meespeelt vanuit een gelijkwaardige rol. Vanuit deze rol kan de leerkracht tijdens krachtige momenten iets toevoegen.

Belangrijk is wel om daarbij de leiding van het spel bij de leerling te houden.

In onderzoeken is gebleken dat kinderen vaak een lage spelbetrokkenheid laten zien of hun spel stoppen wanneer de leerkracht rondloopt van kind naar kind en wisselend nabij is.

Deze korte contacten leveren bovendien vaak eenzijdige gesprekken/opmerkingen op, die vaak goed bedoeld zijn, maar juist verstorend werken en kinderen vaak uit hun spel halen. Vanuit het perspectief van het kind is het korte contact namelijk onverwacht.

Het kind moet opeens deelnemen aan de sociale interactie, wat voor een jong kind veel energie vraagt om te schakelen, vooral wanneer het kind geconcentreerd was op zijn spel.

Ook is gebleken dat kinderen vaak wel een goede spelbetrokkenheid laten zien wanneer de leerkracht rustig bij de kinderen gaat zitten en daardoor ook vaker ook tot tweezijdige gesprekjes komt of wanneer kinderen op enige afstand en zonder directe bemoeienis van de leerkracht samenspelen. Om helemaal op te kunnen gaan in spel is in de eerste plaats namelijk emotionele veiligheid nodig. Wanneer het kind zich eenmaal emotioneel veilig voelt bij de leerkracht, zal hij of zij ook op ontdekking uitgaan om de ruimte te verkennen en op enige afstand van de leerkracht spelen met andere kinderen.

Het kind heeft de leerkracht dan nog steeds af en toe om te checken of de omgeving veilig is. Maar als de leerkracht rondloopt, weten de kinderen niet waar hij of zij is.

Ze kunnen dan niet met een snelle blik contact maken en zich veilig en bevestigd weten.

De leerkracht is dan niet beschikbaar als bron van veiligheid. Dit kan de kinderen onrustig maken. Zij moeten langer rondkijken voordat er contact is; dat haalt hen uit hun spel.

Of ze gaan naar de leerkracht toe voor aandacht. Het rondlopen van de leerkracht gaat hand in hand met het rondlopen van kinderen.


Spelen gaat niet altijd vanzelf; kinderen moeten (soms) geholpen worden om hun spel op gang te brengen, om verschillende spelactiviteiten te ondernemen en om het spel op niveau te brengen en te houden. Op dat moment is het aan de leerkracht om via nieuwe impulsen en begeleiding de betrokkenheid weer te verhogen.

Alle kinderen starten met bewegen en spelen in manipulerend spel, ook ondernemen alle kinderen na verloop van tijd rol gebonden handelingen, maar het interactieve rollenspel ontstaat niet altijd automatisch. Veel kinderen blijven dan ook op dit punt steken.

Of kinderen klaar zijn voor deze fase, hangt van veel factoren af. Ze zijn daarin bijvoorbeeld vooral afhankelijk van hun sociale omgeving. Wordt er thuis gespeeld? Wordt er thuis Nederlands gesproken? Hebben ze een taalachterstand? Als kinderen niet tot deze laatste fase van spel komen, is het ook belangrijk dat de leraar ingrijpt en het spel stimuleert.


Observeren

Het kind laat in spel zien wat het wil leren, maar wat het nog niet zelfstandig kan.

Door zicht te hebben op de zone van naaste ontwikkeling krijg je als leerkracht de kans om nieuwe spelimpulsen te geven, die het kind een stap verder brengen in de spelontwikkeling. Als leerkracht observeer je, weet in welke fase van het bouwen de leerlingen zijn en help je hen vervolgens verder in de ontwikkeling. Maar hoe doe je dat? Allereerst met het vertrouwen dat ieder kind zich op een natuurlijke manier ontwikkelt, ook als jij niet precies weet wat een kind wel/niet kan. Ten tweede is het belangrijk dat je kennis hebt van de ontwikkelingslijnen rondom bouwen en construeren.

Je kunt er vervolgens voor kiezen om steeds een bepaald kind te observeren, omdat het onmogelijk is om je van alle kinderen tegelijk een beeld te vormen. Je kunt er ook voor kiezen een bepaalde hoek (bijv. drie keer een minuutje) te observeren, bijvoorbeeld om erachter te komen waarom het spel er niet goed verloopt. Tot slot kun je er ook voor kiezen om een leerlijn te nemen en daarbij zoveel mogelijk kinderen te observeren.

Stel jezelf een eenvoudig haalbaar doel. Kies tijdens het observeren een plek waar het niet opvalt dat je het spel observeert. Ga bijvoorbeeld een klusje in de buurt doen, terwijl je luistert en meekijkt. Laat je ook niet afleiden door de andere kinderen. Doe bijvoorbeeld even een ketting aan als signaal dat ze jou niet mogen storen.

Leg bijvoorbeeld eens een observatie schrift in de bouw-/constructiehoek en schrijf hierin op welke kinderen in de hoek speelden, of ze hier zelf voor hebben gekozen, welke handelingen ze uitvoeren met het materiaal, wat je opvalt aan de motoriek, of ze de materialen gebruiken zoals ze bedoeld zijn, of ze bepaalde dingen laten liggen, welk soort spel ze vertoonden en hoe lang, of dit past bij hun leeftijd, hoe het samenspel verloopt of er kinderen zijn die elkaars negatieve gedrag versterken en of dit beter gaat als ze met andere kinderen spelen? Luister naar wat de kinderen tegen elkaar zeggen. Praten ze met elkaar of langs elkaar heen? Gaat het gesprek over het spel? Maakt een kind al langere zinnen?

Als je kijkt en luistert krijg je heel veel informatie over de ontwikkeling van kinderen.

Verwerk je observaties op een efficiënte manier. Voorkom dat je alles meerdere keren loopt over te typen. Zet het bij voorkeur meteen op de goede plek. Tegenwoordig zijn er ook veel meer mogelijkheden dan aantekeningen maken in een map.

Denk bijvoorbeeld eens aan foto’s, die je toevoegt aan je leerlingvolgsysteem. Maak gebruik van geluidsopnames, zodat je deze later uit kunt typen, plaats de observaties op post-its of etiketten en plak deze na afloop van je werkles bij het betreffende kind in zijn/haar map of typ je notities rechtstreeks op een tablet, zodat je later kunt kopiëren en plakken.


De observaties gebruik je om vervolgacties te ondernemen.

Als je deze stap niet neemt, schiet de hele observatie zijn doel voorbij en heeft niemand er iets aan. Bedenk je wat je gaat doen met de informatie die je hebt verzameld.

Aan de hand hiervan maak je bijvoorbeeld aanpassingen in de inrichting van je hoek.


Meespelen:

Een manier om een kind verder te helpen is meespelen en interesse tonen voor de activiteit, waarbij het erg belangrijk is om het spel niet te verstoren en rustig, responsief in de hoek plaats te nemen en de leiding van het spel bij het kind te laten liggen. Ook is het belangrijk om kinderen zoveel mogelijk zelf te laten experimenteren en ont


Speel spiegelend of volgend mee, zodat je heel dichtbij de beleving van de kinderen blijft en het kind het gevoel geeft dat wat hij/zij doet goed is. Start met een korte observatie van het spel van de kinderen en imiteer dat spel met je eigen materialen. Dit spiegelen ondersteun je het liefst verbaal door te benoemen wat je doet (en dus ook wat het kind doet). In plaats van steeds vragen te stellen aan de kinderen vraag je je dingen hardop af, verwonder je je over aspecten van je eigen spel en eventueel ook de problemen die je daarbij tegenkomt, hardop benoemt of als een probleem aan kinderen voorlegt.

Hierdoor inspireer je kinderen tot nieuwe handelingen die ze kunnen toepassen in hun eigen spel. Op deze manier kun je het spel heel goed een klein stapje uitbreiden door een volgende handeling toe te voegen. Op deze manier kun je ook twee kinderen die naast elkaar spelen aan elkaar verbinden. Dit is vooral fijn wanneer kinderen manipulerend spel laten zien.

Stel tijdens het meespelen ook vragen. Door vragen te stellen laat je zien dat je geïnteresseerd bent in het spel van de kinderen. Ga echter niet als buitenstaander bij een hoek gaat staan om te vragen wat de kinderen aan het doen zijn, want dit kan het spel juist verstoren. Bovendien werken kinderen vaak helemaal niet naar een eindproduct, maar is hun spel een proces. Stel tijdens het meespelen dus liever vragen in een rol die je zelf aanneemt en stel vragen over het proces. Dus niet: "Wat zijn jullie aan het doen?", maar "Wat is jullie gebouw al hoog zeg! Ik vraag me af of het net zo hoog is als ik ben".

Kinderen kunnen er dan zelf voor kiezen om iets met die vraag te doen.


Een andere verbale manier van meespelen is een suggestie doen. Zorg er wel voor dat dit een suggestie blijft en geen opdracht wordt.


Als je ziet dat kinderen in hun spel iets goed zouden kunnen gebruiken, dan kun je tijdens het spel materialen toevoegen. Je kunt zelf even mee gaan spelen zonder iets te zeggen en daarna kijken of kinderen dit overnemen in hun spel. Daarna kun je kijken of kinderen dit overnemen. Je kunt ook voor of na het spelen materialen toevoegen.



Spelbegeleiding vanuit de kring

Soms is het nodig het spel in de bouw-/constructiehoek in de kring te bespreken, voor of na het spelen. Daar kunnen verschillende aanleidingen voor zijn.


Misschien zijn er nieuwe regels en afspraken nodig, omdat het spel niet naar wens verloopt? Kinderen kunnen overigens heel goed zelf naar oplossingen zoeken. Dat werkt vaak ook beter dan opgelegde regels. Soms helpt het ook de regels visueel te maken of een foto op te hangen van een opgeruimde hoek.


Het kan ook zijn dat je merkt dat kinderen kennis missen om het spel in de hoek goed te spelen. Onderzoek daarom met de kinderen het onderwerp en de materialen. Deze kennis kunnen ze verkrijgen door met volwassenen bijvoorbeeld boeken en filmpjes te bekijken, gasten uit te nodigen en uitstapjes te maken. Vertel in de kring wat in welke hoek gedaan kan worden en laat de kinderen ook zelf ideeën aanreiken. Laat zien welke materialen er staan en vraag eens wat je ermee kunt doen. Probeer de kinderen uit te dagen met zoveel mogelijk suggesties te komen. Tijdens de introductie van een nieuw thema kunnen nieuwe materialen en ideeën worden besproken.


Je kunt kinderen vanuit de kring ook inspireren om te bouwen en/of te construeren.

Verhalen en/of prentenboeken kunnen bijvoorbeeld aanleiding geven tot bouwen of construeren. Of vertel met een handpop een verhaal met een bouwopdracht erin ( bijv. muis zoekt een huis) en vraag wie er wil helpen. En maak dan achteraf als beloning de foto met de handpop erbij. Ook beeldmateriaal, zoals foto’s of plattegronden, biedt inspiratie bij het maken van plannen om te bouwen.


Je kunt in de kring ook spel demonstreren. Gebruik daar materialen uit de hoek bij.


Een andere vorm van spelbegeleiding vanuit de kring is om na het verdelen van de hoeken en werkjes samen met de kinderen te bespreken wat ze gaan doen. Wanneer ze hun plan met jou en elkaar gedeeld hebben kunnen ze aan de slag. Dit betekent overigens niet dat ze een einddoel moeten hebben. Het is ook een plan als ze van plan zijn een stad te gaan bouwen (terwijl het uiteindelijk een racebaan wordt). Het van tevoren overleggen verbindt de kinderen met elkaar nog voordat ze aan het spelen zijn. Bovendien kun je op deze manier controleren of de kinderen een weloverwogen keuze hebben gemaakt of gewoon iets gekozen hebben omdat hun vriendje of vriendinnetje dat ook heeft gekozen. Als leerkracht kun je tijdens het overleggen de afspraken herhalen en je verwachting uitspreken (bijvoorbeeld aangeven dat je benieuwd bent of het gaat lukken om goed samen te werken).

Bespreek het spel ook na in de kring. Hierbij kunnen kinderen hun werk laten zien, vertellen welke problemen ze tegenkwamen en hoe ze dat hebben opgelost.

Benoem wat al heel erg goed ging, bijvoorbeeld een kind wat doorzette toen hij/zij een probleem tegenkwam, een goede samenwerking enz. Je kunt tijdens het spel ook foto's maken en deze op het digibord laten zien. Zo kunnen de kinderen presenteren wat ze gedaan hebben en de andere kinderen geïnspireerd raken om nieuwe dingen uit te proberen. Bovendien geeft dit jou als leerkracht de kans om specifieke kennis en vaardigheden over te dragen, waar alle kinderen van kunnen profiteren in un spel.

Focus hierbij niet alleen op het eindresultaat, maar vooral op het proces.

Door niet alleen maar oog te hebben voor wat wel goed ging leren kinderen juist.


Differentiatie in de bouw-/constructiehoek

Veel scholen werken tegenwoordig met kleine kringen om aan alle verschillende niveaus in de klas tegemoet te komen. Al die kleine kringen zorgen er echter ook voor dat veel leerkrachten het gevoel hebben dat ze weinig tijd meer hebben om het spel in de hoeken te observeren en te begeleiden. Differentiëren in de hoeken is echter veel gemakkelijker, dan differentiëren in de kring. Tijdens het spelen hoeft geen enkel kind op jouw hulp te wachten en wanneer je de hoeken rijk hebt ingericht, hoef je je ook niet schuldig te voelen wanneer je een kind die dag niet hebt kunnen observeren of spreken. Het kind heeft dan wel precies aangeboden gekregen wat het nodig heeft, ervaringen op mogen doen en geleerd.

En natuurlijk leren kinderen niet alleen van jou en van jouw invloeden op het spel, maar ook van de andere kinderen. Door spelen in de hoeken belangrijker te maken dan leren in de kring, creëer je een situatie waarin differentiëren veel minder nodig is.

De kring kun je dan gebruiken om aan te sluiten op wat de kinderen spelen.

Een kleine kring is ook geen doel op zich, maar een middel, dat ook ingewisseld kan worden voor een ander middel. Als je hiervoor kiest dan vergt het natuurlijk ook wel kennis van de leerlijnen, een goede kijk op de ontwikkeling van de kinderen, leerkrachtvaardigheden zoals het inrichten van een rijke leeromgeving en het (bege-)leiden van spel. Tenslotte is het van belang dat je observeert en aanpassingen maakt naar aanleiding van deze observaties. Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterestbord of bij mijn andere blogs over bouwen en construeren.


Heb jij zelf ook nog leuke aanvullingen?

Inspireer dan collega’s door jouw ideeën en bevindingen als reactie op dit artikel te delen!

0 keer bekeken

© 2019 by juf Angelique. This website has been designed using resources from Freepik.com