Zoeken

DCD: Signaleren

Bijgewerkt: jun 28

DCD staat voor Developmental Coördination Disorder, in het Nederlands vertaald coördinatie- ontwikkelingsstoornis. Kinderen met DCD hebben een achterstand in de ontwikkeling van motorische vaardigheden en moeite met het coördineren van de bewegingen, waardoor ze alledaagse taken minder makkelijk uit kunnen voeren dan leeftijdsgenoten. Kinderen met DCD worden vaak als “onhandig” omschreven.

In deze blog lees meer over het signaleren van DCD.



DCD signaleren is lastig


Om een diagnose DCD te stellen zal de leerkracht eerst moeten signaleren.

Kinderen met DCD laten een andere ontwikkeling zien dan hun leeftijdsgenootjes, maar vaak is het lastig om aan te geven wat er dan anders is.

In een normale motorische ontwikkeling is er bovendien een behoorlijke spreiding van de motorische mijlpalen en is het lastig aan te geven wanneer een kind dit zou moeten kunnen en in hoeverre desinteresse eventueel een reden is voor een vertraagde ontwikkeling in deze vaardigheden. Bovendien zijn er vaak dingen aan te geven waarin het kind juist wel goed ontwikkelt en waarmee hij het compenseert, waardoor de algehele ontwikkeling door ouders en/of leerkracht niet als vertraagd wordt ervaren.


De meeste kinderen met DCD vallen pas op als ze naar school gaan, de eisen aan de vaardigheden steeds duidelijker en complexer worden en wanneer er vergelijk is met leeftijdsgenoten. Niet alleen wat jongere kinderen kunnen, maar juist hoe ze het doen (hun doelmatigheid, soepelheid, zelfstandigheid), hoe lang ze er over doen om het te leren en of ze steeds dezelfde fouten maken in plaats van er makkelijk van te leren zijn dan belangrijke aanwijzingen. Problemen worden vaak ook eerder opgemerkt als ze ernstiger zijn.

DCD problemen variëren enorm


Daarnaast kunnen de problemen die zich bij DCD voordoen per kind enorm verschillen en worden deze problemen ook niet bij ieder kind in dezelfde mate ervaren.

Het ene kind met DCD laat bijvoorbeeld onhandigheid zien in de fijn motorische vaardigheden, terwijl het andere kind snel zijn evenwicht verliest.

Het ene kind met DCD doet alles snel en slordig, terwijl het andere kind alles traag en precies doet. Het ene kind met DCD heeft alleen moeite met gymnastiek, de andere met vrijwel alle schoolse vaardigheden.

DCD en communicatie


De voornaamste oorzaken van DCD liggen in de sensorische prikkelverwerking en de motorische coördinatie. Deze uiten zich echter niet alleen in de grove en fijnere bewegingen en de praxis (doelgericht handelen), maar ook in de verbale en non-verbale communicatie.

Spraak-taal en handelen hebben een sterke relaties met elkaar. Het handelen lokt spraak uit en spraak structureert het handelen en stuurt deze aan. Als een kind de taal niet kan gebruiken om de handelingen zelf te structureren dan zal het lastiger zijn om de juiste volgorde te leren vinden, zichzelf aan te sturen om op tijd te starten en te stoppen, te analyseren wat er mis of juist goed ging, het overzicht te houden enzovoort.

Ook bij deze uiting van DCD zijn er variaties in de mate en ernst.


Kinderen met DCD begrijpen taal wel, maar krijgen het in de spraakproductie vaak niet voor elkaar om goed en snel te articuleren of de klanken in de juiste volgorde uit te spreken. Dit wordt een dysfatische ontwikkeling genoemd. Soms kunnen ze hun adem ook onvoldoende gebruiken om langere woorden en zinnen te maken. Het gevolg is dat ze vaak lastig te verstaan zijn, klanken, woorden en zinnen inkorten, gedachten niet goed onder woorden kunnen brengen, de woorden niet kunnen vinden, een zin verkeerd opbouwen, moeite hebben met de juiste verhaallijn of langzaam spreken en reageren.


Daarnaast is een lage spierspanning bij DCD ook vaak in een verminderde mimiek terug te zien. Dit kan makkelijk als desinteresse en afwezigheid worden geïnterpreteerd en miscommunicatie opleveren.

DCD en de sociaal-emotionele ontwikkeling


Daarnaast kan DCD verward worden met gedragsproblematiek.


Naarmate een kind groter wordt en zijn (motorische) vaardigheden toenemen, vergroot dit de mogelijkheden en levert dat succeservaringen op, waardoor ze zich competent gaan voelen. Negatieve ervaringen ervaringen kunnen bij uiteindelijk succes overigens ook opbouwend zijn en een stimulans zijn om door te zetten of een alternatief te bedenken.


Kinderen met DCD presteren op diverse vakken op een minder hoog niveau dan hun klasgenoten. Dit komt tot uiting in hun punten of in extra uitleg en aanpassingen.

Met herhaalde faalervaringen leren ze zich juist niet competent te voelen.

Een kind met DCD dat steeds vaardigheden probeert te beheersen en daarvoor enorm zijn best doet, maar daarin doorlopend geen succes heeft, ervaart telkens dat het niet goed genoeg is, maar begrijpt niet altijd waarom. Bij een kind met DCD ontbreekt vaak het inzicht hoe een handeling tot stand is gekomen en dan is het natuurlijk ook lastig om te begrijpen en te reflecteren waarom iets mis is gegaan, daar iets aan te verbeteren of trots te zijn op het resultaat wel gelukt is. Omdat een kind voelt dat hij weinig grip heeft, doordat hij oorzaken niet goed kan inzien, heeft hij vaak ook weinig perspectief om het ooit beter te gaan doen. De reden waarom iets wel/niet lukt neemt een kind met DCD vaak over van anderen. Een kind met DCD ziet (en in het ergste geval hoort ook) in (en van) zijn omgeving dat hij niet kan participeren, zoals hij zelf zou willen en zoals hij het de kinderen om zich heen wel ziet doen. Geen wonder dus dat veel kinderen met DCD in sociaal emotioneel opzicht niet lekker in hun vel zitten.


Dit kan kan tot uiting komen in vermijding, clownesk gedrag, boosheid, frustratie en lage zelfwaardering. Hierdoor lijken kinderen met DCD soms eerder een gedragsprobleem te hebben. Omdat DCD problemen zich ook vaak secundair uiten in het gedrag van een kind, is het dus belangrijk om motoriek en gedrag te onderscheiden.

Kennis van motorische achterstanden


Signaleren is daarnaast ook lastig, omdat leerkrachten vaak te weinig kennis hebben over motorische achterstanden. Als een leerling opvalt door onhandigheid, over beweeglijkheid of doordat hij vaardigheden traag aanleert en/of uitvoert, is het verstandig hulp in te schakelen van de Interne Begeleider op school.

Hij/zij kan observeren met welke vaardigheden een kind moeite heeft.

Daarnaast kan er ook gebruik worden gemaakt van vragenlijsten. Voor deze groep kinderen is overigens een speciale vragenlijst ontwikkeld: De Groninger Motoriek Observatieschaal.


Onder de tabbladen "Motoriek" en "Zorg: Motoriek" op deze website vind je meer achtergrondinformatie over de motorische ontwikkeling bij kleuters.

Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn:

Heb je zelf ook nog leuke suggesties? Laat dan een reactie achter!



26 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven