Zoeken

DCD: Oorzaken

Bijgewerkt: jun 27

DCD staat voor Developmental Coördination Disorder, in het Nederlands vertaald coördinatie- ontwikkelingsstoornis. Kinderen met DCD hebben een achterstand in de ontwikkeling van motorische vaardigheden en moeite met het coördineren van de bewegingen, waardoor ze alledaagse taken minder makkelijk uit kunnen voeren dan leeftijdsgenoten. Kinderen met DCD worden vaak als “onhandig” omschreven.

In deze blog lees je meer over de oorzaken van DCD.



Oorzaken van DCD


Over de oorzaak van een coördinatie-ontwikkelingsstoornis is nog niet veel bekend.

Mogelijk vormen problemen rondom de geboorte een oorzaak.

Daarnaast zie je dat het vaker voorkomt binnen een familie. Bij DCD is er geen oorzaak in de opvoeding aantoonbaar en ook geen psychische of emotionele oorzaak.

Verstoringen in de sensorische informatie- verwerking


Ook kunnen verstoringen in de sensorische informatieverwerking bepaalde uitingsvormen van DCD verklaren. Dit is een ingewikkeld, onophoudelijk proces, waarbij prikkels eerst worden waargenomen met onze zintuigen.

Met onze zintuigen vangen we informatie op over ons eigen lichaam en onze omgeving. Deze informatie wordt vervolgens verwerkt in ons zenuwstelsel en gebruikt om via onze hersenen een reactie uit te sturen die meestal motorisch is en voor verandering zorgt, die vervolgens voor nieuwe zintuiglijke informatie zorgt.

Alles wat de zintuigen waarnemen krijgt, gebaseerd op de opgedane ervaring, ook meteen een negatieve of positieve emotionele koppeling, die ervoor zorgt dat iemand de volgende keer in een soortgelijke situatie wil herhalen en onderzoeken of juist bepaalde dingen uit bescherming niet meer doet doet. Met andere woorden: onze zintuigen leveren de informatie aan waarmee we ons kunnen beschermen en waarmee we kunnen leren.

Wanneer prikkels op een juiste manier worden verwerkt zijn we steeds sneller in staat om snel situaties te interpreteren en erop te reageren.


De verwerking van de prikkels kan echter ook voor problemen zorgen wanneer deze zwakker of juist sterker dan normaal binnenkomen en het zenuwgestel daardoor een te zwakke of juist te sterke waarde afgeeft in de hersenen.

De emotionele en/of motorische reactie op deze prikkels zal dan eveneens in een andere mate (te weinig of juist te overheersend) optreden dan bij de situatie past.

Te sterke prikkels zullen voor een te sterke reactie zorgen. Het zenuwgestel koppelt het vaak aan "gevaar" en de hersenen reageren vervolgens vaak met beschermingsreacties, zoals angst, verstijven, vechten of vluchten, ook als er voor een buitenstaander geen gevaar te ontdekken is. Te zwakke prikkels zullen te weinig worden opgemerkt door het zenuwgestel en nauwelijks worden doorgegeven aan onze hersenen, waardoor er te weinig betekenis aan kan worden gegeven en er ook geen adequate reactie uit kan voortkomen.

Kinderen die sensorische prikkels te zwak registreren kunnen ze soms ook extra opzoeken om toch iets te ervaren.


Prikkels volgen elkaar echter niet opgesplitst en achtereenvolgend op, maar komen vaak tegelijktijdig binnen. Dat vraagt ook nog eens om een geheel van waarnemen, verwerken en het aansturen van de motorische reacties.

Wanneer er sprake is van verstoringen in de sensorische informatieverwerking dan kan dit problemen opleveren voor de motorische coördinatie.

Niet alle verstoringen in de sensorische informatieverwerking zijn echter van invloed op de motorische coördinatie. Verstoringen, die wel van invloed zijn, zijn:

  1. Te zwakke reacties op tastprikkels

  2. Te zwakke reacties op houdings-/bewegingsprikkels

  3. Te sterke reacties op houdings-/bewegingsprikkels

  4. Te weinig onderscheid tussen zintuiglijke prikkels


Te zwakke reacties op tastprikkels:

Tastprikkels zijn belangrijk voor het contact met anderen en geven ons informatie over materialen. Wat we voelen gebruiken we voor de fijne afstemming van de kleine bewegingen. De tast is hiermee ook een hele belangrijke functie voor onze fijne motoriek. Bij kinderen met DCD zie je door de zwakke reacties op tastprikkels vaak moeilijkheden in de fijne motoriek.


Te zwakke reacties op houdings-/bewegingsprikkels:

Om goed te kunnen bewegen en houdingen te bewaren hebben we twee zintuigsystemen nodig; het evenwichtssysteem en onze bewegingszin, ook wel spier- en gewrichtsgevoel of proprioceptie genoemd. Het evenwichtssysteem zorgt ervoor dat we onze positie voelen, maar actief onze balans houden doen we vooral door de samenwerking met en de reacties en aanpassingen van de spieren, pezen en gewrichten.

Bij kinderen met DCD is er vaak een probleem in het handhaven van de balans en het afstemmen van kracht en bewegingen om een bepaald doel te bereiken.

Veelal worden deze prikkels te zwak geregistreerd en zullen naar aanleiding daarvan bewegingen te laat worden ingezet en verlopen deze te weinig krachtig en langzaam.

Hierdoor vallen en struikelen ze vaak. Als je dit vergelijkt met een 'slapend lijf', dan begrijp je misschien nog beter dat het moeilijk is om je hiermee 'wakker' te bewegen.

Ook laten veel van deze kinderen juist over beweeglijk, ongericht, prikkel zoekend gedrag zien, omdat kinderen weinig betekenis halen uit de verwerking van hun prikkels.


Te sterke reacties op houdings-/bewegingsprikkels:

Bij kinderen met DCD kunnen de houdings-/bewegingsprikkels ook te sterk geregistreerd worden, waardoor simpele motorische activiteiten al beangstigend kunnen zijn.

Deze kinderen zijn vaak het liefste met hun voeten stevig op de grond en minder beweeglijk.

Een ernstige verstoring van deze prikkels kan er zelfs voor zorgen dat het kind niet kan fietsen, snel misselijk wordt van auto rijden, niet durft te zwemmen en nauwelijks aan gym en buitenspelactiviteiten durft mee te doen.

Hierdoor wordt een kind ernstig beperkt in het ontwikkelen van zijn motoriek.


Te weinig onderscheid tussen zintuiglijke prikkels:

In ons zenuwstelsel worden de verschillende prikkels heel precies onderscheiden van elkaar. Niet alleen het verschil in soort prikkel, zoals het verschil tussen zien en horen, maar ook binnen dezelfde soort prikkel. Bij geluid kan er bijvoorbeeld verschil worden waargenomen in hoogte, sterkte, intensiteit, soort klank en opeenvolging.

Deze nauwkeurige waarneming gebruiken we bij het snel leren inschatten van en reageren op verschillende situaties. Bij kinderen met DCD kan dit een achtergrond zijn van hun motorische probleem. Immers als prikkels in de hersenen niet goed onderscheiden worden, dan wordt het heel moeilijk om doelmatig op situaties te reageren en je gedrag te organiseren, zoals je dat zou willen of zoals dat verwacht wordt. Bij kinderen met DCD blijkt er ook een verstoring voor te komen in het onderscheiden van visuele vormen, zoals lijnen, grootte en richting. Dit kan consequenties hebben voor tekenen en schrijven.

Verstoringen in de basismotoriek


Omstandigheden, zoals weinig spelen en bewegen kunnen DCD wel verergeren, maar vormen geen oorzaak. Er is wel een basismotoriek nodig om goed te kunnen bewegen.

Bij kinderen met DCD kun je in die basismotoriek vaak een verstoring zien in

  1. De spierspanning

  2. De stabiliteit

  3. De coördinatie


De spierspanning:

Deze is in de basis vaak te laag ("hypotonie"), waardoor kinderen vaak een wat in elkaar gezakte houding laten zien en het vaak langer duurt voordat bewegingen worden ingezet en de bewegingen zien er vaak slap, zwaar en traag uit.

Een verklaring zou gezocht kunnen worden in een te zwakke reactie op houdings- en bewegingsprikkels, omdat deze zintuigen belangrijke informatie verzorgen over het opbouwen van de spierspanning. Dit is echter zo'n complex proces, dat er nog weinig concrete uitspraken over gedaan kunnen worden.

Soms is de spierspanning juist veel te hoog en te verkrampt. Kinderen met een lage spierspanning zoeken op die manier stabiliteit om te kunnen bewegen.

Voor sommige kinderen geeft meer weerstand in de vorm van hulpmaterialen meer controle, voor anderen is dit echter juist vermoeiender.


De stabiliteit:

Met onze spieren en spierkracht kunnen we rond de gewrichten een zekere stevigheid of stabiliteit opbouwen. Vanuit deze min of meer vaste punten is het mogelijk om te bewegen.

Voor iedere beweging is weer een andere vorm van stabiliteit nodig.

Soms is het daarbij ook nodig om een aantal gewrichten juist onbeweeglijk te maken.

Ook moet je voor een goede stabiliteit de grootte van een beweging precies kunnen doseren. Bij kinderen met DCD duurt het vaak wat langer voordat er een goede stabiliteit is opgebouwd. Zij hebben meer voorbereidingstijd nodig.

De plaats waar deze stabiliteit het makkelijkst wordt opgebouwd is rond de gewrichten bij de romp: de heupen en schouders. Dit is voor een fijne coördinatie echter nadelig, omdat de fijn motorische vaardigheden hierdoor vaak vanuit de arm en schouder, in plaats van de pols en vingers worden aangestuurd. Hierbij moeten er veel meer gewrichten en armlengte worden aangestuurd worden dan wanneer gewrichten dichterbij de uiteindelijke bewegingspunten stevig gemaakt kunnen worden. Het afpassen van de juiste bewegingsgrootte en het doseren van kracht is daarmee ook lastiger.

Daarnaast is het voor kinderen met DCD moeilijk om daar waar het alleen nodig is stabiliteit op te bouwen, zodat bijvoorbeeld de hele arm stevig wordt gemaakt, in plaats van alleen de pols. Dit bemoeilijkt de verfijning van bewegingen en grepen.


De coördinatie:

De precieze bewegingssturing naar een afgebakende plaats in richting en afstand wordt coördinatie genoemd. Hier komen verschillende lichaamsdelen aan te pas.

Dit ingewikkelde proces van spierspanning, stabiliteit, beweging en gradatie van richting en afstand wordt geregeld door de hersenen. En onze ogen brengen hiervoor hele belangrijke informatie binnen. Gymnastiek, balspelen, buitenspel en algemene bewegingen vragen vooral coördinatie van onze grote lichaamsdelen: de benen, romp, het hoofd en de armen.

Je brood smeren, veters strikken, knopen los- en vastmaken, bouwen, knippen, kleien, vouwen, met zandspelen, klapspelletjes enzovoorts zijn activiteiten waarbij je de tweehandige coördinatie. Voor kleuren, prikken, tekenen of schrijven is er een verregaande werkverdeling tussen beide handen nodig. Er is een werkhand en een ondersteunende hand, die het materiaal fixeert en in de meest geschikte uitgangspositie brengt.

Bij gerichte activiteiten met de handen is de oog-hand coördinatie erg belangrijk.

Voor kinderen met DCD vormt coördinatie het kernprobleem en daarmee het uitvoeren van vaardigheden. Dit betreft niet alleen de coördinatie van bedoelde bewegingen, maar ook het effect van onbedoelde (bij)bewegingen.

Veel kinderen met DCD hebben moeite om de beweging precies af te passen op het doel, zodat er onbedoeld vaak iets omgestoten of verschoven wordt.

Als het makkelijker is om te coördineren wordt de vaardigheid beter uitgevoerd.

Verstoringen in de praxis


Sommige mensen zijn heel handig en praktisch. Zij beschikken over een goede praxis en hebben snel door hoe iets werkt. Anderen moeten er meer over nadenken.

Wat is de bedoeling? Hoe krijg ik dat voor elkaar? Hun praxis is minder goed ontwikkeld.

Praxis een capaciteit van ons zenuwstelsel om handelingen efficiënt te kunnen organiseren in verschillende situaties. Praxis bestaat uit:

  1. Ideevorming

  2. Planmatig handelen

Bij kinderen met DCD is deze praxis vaak verstoord.


Ideevorming:

Doelgerichte handelingen beginnen met een doel, een idee. Sommige van die ideeën komen uit jezelf, sommige worden aangedragen door anderen. Het idee is als het ware een plaatje van het doel. Wat is de bedoeling? Waarom? Hoe gaat het eruit zien?

Waar bestaat het uit? Dit plaatje kan in onze hersenen worden opgebouwd, onder andere door ons vermogen om ervaringen in ons geheugen op te slaan, zowel als geheel als in delen. Die delen kunnen we weer gebruiken voor nieuwe situaties, zodat we onze ideeën makkelijk kunnen aanpassen of koppelen aan andere ideeën. Ideevorming vormt het concept van de opeenvolgende handeling. Als het idee van de handelingsmotoriek verstoord is, dan valt dit bij dagelijkse activiteiten op, omdat het vaak langer duurt voordat een kind een bedoeling begrijpt en het lastiger vindt doelmatig te werk te gaan.


Planmatig handelen:

De volgende stap is het plan. Hoe ga je het doel bereiken? Het plaatje van het idee wordt in actie omgezet: de bewegingen worden op elkaar afgestemd, de volgorde wordt bepaald en uitgevoerd en tot het eind toe volgehouden, zodat het doel wordt bereikt.

Dit geldt voor zowel de lichaamsbewegingen als geheel, als voor de fijnere motoriek en visueel-ruimtelijke vaardigheden. Door een goede planning kunnen handelingen op een efficiënte manier worden uitgevoerd. In de ontwikkeling van kinderen is, naast een toename van motorische vaardigheden (de kwantiteit), ook een toename van doelmatigheid (de kwaliteit) te zien. Als een kind nieuwe motorische vaardigheden ontwikkelt, dan worden deze eerst op verschillende manieren uitgeprobeerd. Het leert hiermee het verband tussen oorzaak en gevolg, net zolang totdat het kind ervaart wat het handigste en meest effectief is. Die mogelijkheid wordt steeds vaker ingeoefend als vast motorisch patroon waarmee de kwaliteit van de handeling verbetert. Efficiënte motoriek kenmerkt zich door vaste handelingspatronen. Deze worden aangepast aan verschillende omstandigheden en kunnen ook in andere situaties worden toegepast. Het is soms lastig onderscheid tussen planning en uitvoering te maken, omdat het organiseren van de handelingen zo nauw met het uitvoeren samenhangt. In principe heeft het plan met de volgorde en plaatsing in de ruimte te maken en de uitvoering met het coördineren op motorisch vlak. Kinderen met DCD hebben vaak moeite met het plannen binnen hun handelingen. Ze kunnen erg gefrustreerd raken, omdat wel weten wat ze willen, maar dit niet voor elkaar krijgen.

Verstoringen in het ontwikkelen van vaardigheden


Ons zenuwstelsel stelt ons in staat om ons dagelijks handelen met zo min mogelijk energie uit te voeren. Veelvoorkomende controleerbare handelingen worden na een tijdje namelijk vaardigheden. Deze zijn in het dagelijkse leven onmisbaar.

Al deze vaardigheden vereisen:

  1. Timing

  2. Automatiseren en tempo


Timing:

Alle vaardigheden vragen om een bepaalde afstemmingen van bewegingen in de tijd, zodat deelhandelingen elkaar kunnen opvolgen als een doorlopend geheel.

Voor kinderen met DCD is dit erg lastig. Zij hebben vaak moeite met het opstarten en stoppen van activiteiten. Deze impulsen lijken vertraagd binnen te komen. Te laat voor de actie. Ook gebeuren hierdoor veel onhandigheden, zoals het omstoten of opbotsen. Vaak lijkt dit op onoplettendheid. Daarnaast kan het bewegen er wat hortend en stotend en minder vloeiend uitzien.


Automatiseren en tempo:

Hoe minder je hoeft na te denken over basishandelingen, hoe sneller je dagelijkse vaardigheden kunt uitvoeren. Kinderen met DCD kunnen enkelvoudige handelingen net zo makkelijk leren als leeftijdsgenoten, maar hebben wel vaak moeite met een activiteit, die bestaat uit een aantal opeenvolgende handelingen, die tegelijkertijd maar wel in een bepaalde volgorde gedaan moeten worden. Dit heeft vaak traagheid en veel onnodige fouten tot gevolg.



Onder de tabbladen "Motoriek" en "Zorg: Motoriek" op deze website vind je meer achtergrondinformatie over de motorische ontwikkeling bij kleuters.

Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn:

Heb je zelf ook nog leuke suggesties? Laat dan een reactie achter!



20 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven