Zoeken
  • Juf Angelique

Boeken: Taal (kring)

Bijgewerkt op: 1 mei

Met taal kun je elkaar begrijpen en jezelf begrijpelijk maken. Dit vraagt om woordenschat, het kunnen formuleren van zinnen en kennis van grammaticaregels. In deze blog vind je suggesties voor kringactiviteiten rondom taal bij het thema boeken.



Luisterhouding en concentratie


BOEM!

Je hebt nodig:

- Een boek

Speel dit spel bij voorkeur in tweetallen. Het ene kind laat het boek vallen en het andere kind kijkt goed. Precies als het boek de grond raakt, maakt het kijkende kind een geluid (klappen, stampen, op de tafel slaan enz.)


1,2, weg ermee!:

Je hebt nodig:

- Een boek

Ga met je rug naar de groep gekeerd staan. De kinderen geven een boek door.

Zeg: ‘1, 2, weg ermee’. Het kind dat het boek heeft, verstopt het snel achter zijn rug.


De waakhond:

Je hebt nodig:

- Boeken

In de kring zit een kind. De boeken liggen achter hem. Wijs een kind aan dat de boef is en naar de boeken sluipt. Hij probeert een boek te pakken.

Zodra het kind iets hoort, roept hij ‘stop’ en wijst, met de ogen dicht, in de richting van het geluid. Is dit juist, dan mag hij de ogen openen.

 

Woordenschat


Een woordveld:

Je hebt nodig:

- Vel papier

- Een stift.

Activeer de voorkennis en vergroot de woordenschat van de kinderen met behulp van een woordveld. Wat weten de kinderen al over boeken? Laat ze bijvoorbeeld in tweetallen nadenken over woorden die bij het thema horen en vertellen wat ze bedacht hebben. Laat ze ook beredeneren waarom ze vinden dat het woord erbij hoort.

Werk gedurende het thema verder vanuit dit woordveld. Schrijf de woorden op een vel papier. Welk lidwoord hoort ervoor? Je kunt hiervoor ook de woordkaarten bij het thema gebruiken. Laat de kinderen zinnen bij de woorden bedenken en klap de woorden.

Als er een letter van de week centraal staat, kun je deze letter met de kinderen opspeuren in het woordveld en er een cirkel omheen zetten.

Maak tekeningen bij de woorden, plak er afbeeldingen bij of laat de kinderen deze er zelf bij maken. Hang het woordveld op. Herhaal moeilijke woorden gedurende de week om de woordenschat uit te breiden.


Mindmappen:

Je hebt nodig:

- Een woordveld

- Een aantal hoepels.

Een mindmap is een techniek om je gedachten en denkpatronen in beeld te brengen.

De onderlinge relaties en aspecten worden zo duidelijk.

Je kunt de woordkaarten, maar bijvoorbeeld ook een prentenboek als uitgangspunt nemen.

Laat de kinderen nadenken over welke woorden bij elkaar in een hoepel moeten komen te liggen of spreek al een categorie af en laat de kinderen daar woorden bij zoeken.

Vraag steeds na waarom kinderen deze keuze maken.

Druk de woorden met afbeeldingen nogmaals af en laat de kinderen tijdens de werkles in tweetallen nog eens met de mindmap aan de slag gaan of geef ze juist de opdracht om een compleet nieuwe mindmap te maken. Bekijk meer voorbeelden van mindmappen met kleuters op de website: mindmappen met kleuters


Een digitale mindmap:

Je hebt nodig:

- Maak gebruik van een mindmap app, zoals iMindMap kids.

Zorg dat je van te voren verschillende plaatjes op je computer hebt staan die te maken hebben met het prentenboek of onderwerp.

Wanneer je de iPad aansluit op het digibord kun je alle kleuters mee laten kijken.





Afbeeldingen combineren met echte voorwerpen:

Je hebt nodig:

- Voorwerpen

- Woordkaarten, passende bij dit thema.

Laat de kinderen voorwerpen bij woordkaarten/afbeeldingen zoeken om er nog meer betekenis aan te geven. Zet de voorwerpen op de thematafel.


Betekenis geven aan woorden:

Je hebt nodig:

- Midden in de kring staat een kist met spullen die te maken hebben met boeken en schrijven. De spullen worden uitgedeeld aan tweetallen.

Zij bespreken samen waar de spullen voor nodig zijn. Dit delen ze in de kring.


Welke hoort er (niet) bij?

Je hebt nodig:

- Eventueel woordkaarten

- Een groot vel papier

- Een stift.

Noem steeds een rijtje woorden die bij elkaar horen. Kunnen de kinderen vertellen waarom deze bij elkaar horen? Bijv. boek-letter-kaft

* Variatie: Welk woord hoort er niet bij? Zet er een woord tussen die er niet bij past.


Woorden clusteren:

Je hebt nodig:

-

Cluster de woorden in een woordkast, woordparaplu of een woordtrap. Welke woorden horen bij elkaar en waarom? Het is een aanrader om deze woordclusters zichtbaar op te hangen, zodat het woord elk moment van de dag in beeld blijft en er meerdere keren per dag aandacht aan kan worden geschonken. Maak de woorden die die dag centraal staan zichtbaar door een poster ervan op te hangen: "Het woord van de dag'.


Goed of fout?:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten, passende bij dit thema

Jij vertelt iets over de woordkaart, passende bij het thema. Als dit waar is, mogen de kinderen gaan staan. Vertel jij iets wat helemaal niet klopt, dan blijven de kinderen zitten.

Voorbeelden:

Een prentenboek heeft geen plaatjes - fout

De zijkant van een boek heet een rug- goed


Spel: Wie/wat ben ik?

Je hebt nodig:

- Woordkaarten, passende bij dit thema

- Een hoofdband

- Een mand

- Echte voorwerpen

- Plakband

- Wasknijpers

Neem een woord in gedachten en omschrijf dit, de kinderen raden.

De kinderen mogen 10 ja/nee vragen stellen. De leerkracht beantwoordt deze.

Later kan een kind in gedachten nemen en mag de klas ja/nee vragen stellen.

* Variatie 1:

Leg de woordkaarten met de afbeeldingen naar beneden op tafel.

Plaats een hoedenstrook op je hoofd, pak zonder te kijken één woordkaart van tafel en bevestig deze met een knijper vast op de hoed. Vertel de kinderen dat zij niet mogen verklappen welk dier jij straks op je hoed zet, omdat jij gaat proberen dit te raden. Stel gesloten vragen aan de kinderen waar zij alleen met hun duim omhoog of hun duim naar beneden op mogen reageren. Op deze kan iedereen meedenken en meedoen. Je ziet ook meteen wie het spel begrijpen en wie het nog lastig vinden. Doordat jij degene bent met de hoed op, leren de kinderen veel van de gesloten vragen die jij stelt. Stel vooral vragen met ‘Heb ik…’, ‘Ben ik…’, ‘Kan ik…”. Wanneer je dit een aantal keer hebt gespeeld, is een goede vervolgstap een kind op jouw stoel plaats te laten nemen. Zet een kaartje vast op de hoedenstrook en laat het kind nu de vragen stellen.

* Variatie 2:

Vraag een leerling even naar de gang te gaan en spreek met de groep een woord af.

Daarna komt de leerling terug de klas in en geeft de groep aanwijzingen zonder het woord te zeggen.

* Variatie 3:

Stop voorwerpen behorende bij dit thema in een mand en omschrijf ze één voor één en/of laat de kinderen dit doen. De andere kinderen raden vervolgens om welk voorwerp het gaat. De voorwerpen die geraden zijn, worden in de kring gelegd.

* Variatie 4:

Eén kind zit op de stoel van de juf/meester. De leerkracht houdt een afbeelding of voorwerp boven dit kind, zodat de klas het kan zien, maar het kind zelf niet. De klas geeft het kind op de stoel omschrijvingen. Kan het kind raden wat/wie hij/zij is? Of het kind stelt de klas vragen en de klas mag alleen met ja en nee antwoorden.

* Variatie 5:

Dit spel speel je in tweetallen. Plak met plakband of bevestig met een wasknijper bij ieder kind een woordkaart achterop de rug. Ieder kind moet nu raden wat hij/zij is.

Laat de kinderen door elkaar lopen en door middel van een hand omhoog-tweetal een maatje vinden om een vraag aan te stellen. De vragen mogen alleen met ja of nee beantwoord worden. Om snelheid in het spel te houden, kun je zorgen voor meerdere kaartjes. Zo kan ieder kind meteen weer meespelen als het kaartje geraden is.


Rara, welk woord zoek ik?

Je hebt nodig:

- Een woordveld

Gebruik de woorden op het woordveld. Omschrijf er eentje aan de hand van een raadsel. Weten de kinderen welk woord er wordt bedoeld?

Laat ze zelf ook een woord kiezen en omschrijven.


Spel: Mag ik van jou?

Je hebt nodig:

- Geef ieder kind een woordkaart, passende bij dit thema.

Zorg ervoor dat ze dit kaartje goed zichtbaar voor hun buik houden, zodat iedereen het plaatje kan zien. Herhaal zo nodig aan het begin even alle woorden bij de plaatjes, zodat iedereen weer weet, wat zijn of haar woord is. Eén kind heeft geen kaartje.

Dat kind vraagt ... (naam), mag ik van jou…(het woord)?” Nu stelt het kind zonder kaartje en ander kind een soortgelijke vraag. Gaat dit spel klassikaal goed, dan kun je het ook in kleinere groepjes spelen, zodat de kinderen sneller aan de beurt zijn.


Raad het plaatje

Je hebt nodig:

- Woordkaarten, passende bij dit thema.

Een kind pakt een kaartje met hierop het themawoord. Hij/zij tekent dit woord.

De andere kinderen proberen het woord zo snel mogelijk te raden.


Ik zie, ik zie...:

Je hebt nodig:

- De spullen op de thematafel

Speel het spelletje. "ik zie, ik zie, wat jullie niet zien en het is (bijv. rood)"


Sta op als...

Je hebt nodig:

- Een woordkaart voor ieder kind, passende bij dit thema.

Deel de kaarten uit en benoem ze. Zeg daarna: Sta op als je een ... hebt.

Houd het tempo daarbij hoog en laat de kaarten regelmatig doorgeven, zodat ze een andere kaart hebben.


Trefwoord:

Je hebt nodig:

- Een verhaal, waarin het aangeboden woord meerdere keren voorkomt.

Lees het verhaal voor. Steeds wanneer de kinderen een aangeboden woord horen klappen, springen of stampen ze. Stel daarna vragen over het verhaal.


Een versje:

Je hebt nodig:

- Een versje, waarin het aangeboden woord voorkomt.

Bied het versjes aan en bedenk een beweging, die de kinderen kunnen maken, steeds wanneer ze het aangeboden woord horen.


De bom!

Je hebt nodig:

- Een keukenwekker

- Het woordveld.

Hoeveel woorden van het woordveld kunnen de kinderen opnoemen voordat de keukenwekker afgaat?


Zoek het woord!

Je hebt nodig:

- Voor ieder kind een woordkaart, passende bij het thema

Deel de woordkaarten uit.

Geef een kind nu de opdracht: Zoek de woordkaart met daarop een...


Flitsen:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten

Flits de woordkaarten. De kinderen moeten zo snel mogelijk roepen wat ze daarop zien.

 

Zinsbouw


Zinnen maken:

Nodig:

- Een hoed

Zorg voor een hoed en verstop hier woordkaarten uit het thema in.

Tover iets uit de hoed tevoorschijn en laat de kinderen er een zin mee bedenken.

Breid het uit door twee dingen uit de hoed te toveren.


Zinnen langer maken:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten of materialen, passende bij dit thema.

Geef de kinderen het begin van een zin en laat ze de zin langer maken.

Bijv...


Zelf een verhaal verzinnen

Je hebt nodig:

- Neem een woordkaart of een prentenboek.

De kinderen bedenken er zelf een verhaal bij.

Gebruik je een prentenboek?

Lees dit niet voor! Laat wel de platen zien. De klas gaat het verhaal nu zelf bedenken.

Wat zien de kinderen? Wat gebeurt er allemaal? Hoe zou het verder gaan? etc.


Dobbel een verhaal:

Je hebt nodig:

- Een dobbelsteen

- Een blad met per aantal ogen een personage, plaats en gebeurtenis

Laat de kinderen 3x met de dobbelsteen gooien.

De eerste keer gooien ze voor een personage. Gooi je bijv. 5 dan neem je de personage dat bij 5 vermeld is. De tweede keer gooi je voor een plaats waar het verhaal zich gaat afspelen. De derde keer gooi je voor een gebeurtenis waar het hele verhaal om draait. Soms kunnen dit hele lachwekkende combi’s zijn, een andere keer is de combi vergezocht maar kan er toch een heel leuk verhaal uit ontstaan. De kinderen bedenken het verhaal. Zo kunnen er verrassende verhalen ontstaan en mogen de kinderen de details zelf invullen.

 

Spreekwoorden


Spreekwoorden:

Je hebt nodig:

-

Er zijn ook spreekwoorden over boeken.

Wat zijn dat spreekwoorden?

Kennen de kinderen de volgende spreekwoorden?

Buiten zijn boekje gaan - meer doen dan mag

Dat spreekt boekdelen - dat is heel duidelijk

De boeken sluiten - ermee stoppen

Een gesloten boek - niet veel vertellen

Goed te boek staan - een goede naam hebben

Hij is een open boek voor mij - ik doorzie zijn karakter volledig

Met de neus in de boeken zitten - veel lezen

Over iemand een boekje opendoen - informatie over iemand geven

Volgens het boekje - volgens de regels

 

Op zoek naar meer?


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn