Zoeken

Autisme en informatieverwerking

Bijgewerkt: 13 aug 2019

Bij autisme is er sprake van een verstoorde prikkel- en informatieverwerking.

Bij de meeste mensen gaat alles via een “snelweg” naar de hersenen, maar bij autisme zijn de hersenen ‘anders’ aangelegd en komt de informatie op de verkeerde plek terecht. Bij hen gaat alles in eerste instantie via een zandweg die uitmondt in een snelweg. En zodra er een detail niet klopt, belandt alle informatie weer terug op die zandweg. In deze blog vertel ik je meer hierover.


Autisme en de hersenen

Er is tot dusverre nog niet met zekerheid vastgesteld welk deel van de hersenen anders zou functioneren bij mensen met autisme. Men vermoedt dat het verband houdt met een structureel defect van gebieden in het limbisch systeem. Dit is een groep structuren die tussen de hersenstam en de hersenschors ligt en als een ring rond de hersenholten heen gaat. De structuren in het limbisch systeem zijn betrokken bij emotie, motivatie, genot en het emotionele geheugen. Het is (evolutionair gezien) een van de oudste delen van de hersenen, maar bevat ook enkele nieuwere structuren.


De informatie die via de zintuigen binnenkomt, zoals geluiden of temperatuur wordt bij iemand met autisme op een andere manier verwerkt. Daardoor zijn kinderen met autisme voor sommige prikkels extra gevoelig en merken ze andere prikkels juist nauwelijks op.

Kinderen met ASS denken bovendien op een andere manier en dat heeft invloed op het kunnen begrijpen van prikkels en informatie. Ze hebben moeite om details tot een samenhangend geheel te maken (contextdenken) en daardoor ontstaan er vaak problemen op het gebied van communicatie, sociale interactie en verbeelding.


Bij de informatie en prikkelverwerking spelen zich een aantal fasen in de hersenen af.

Fase 1: Prikkels en informatie waarnemen

Het begint met waarnemen.

Prikkels die binnenkomen door zintuiglijke informatie die we krijgen door te zien, ruiken, horen, proeven en voelen, maar bijvoorbeeld ook door ons evenwichtsorgaan moeten verwerkt worden in de hersenen.

Al die zintuigen werken ook de hele dag samen om ervoor te zorgen dat we goed reageren op onze omgeving.

Onze zintuigen informeren ons in feite over de wereld om ons heen. Ze laten ons weten dat we bij een groen stoplicht door moeten rijden en ze vertellen ons dat we bij een volle blaas naar de wc moeten.

Ze bestaan afzonderlijk van elkaar, maar moeten als een geheel functioneren.

Gebeurt dat niet dan is er sprake van een sensorisch informatieverwerkingsprobleem. Kinderen met sensorische informatieverwerkingsproblemen, hebben dus simpel gezegd zintuigen die niet goed samenwerken. Prikkels komen dan sterker binnen, of juist minder sterk. Het kind neemt informatie uit de omgeving daardoor rommelig waar en heeft daardoor vaak last van drukte, licht, geluiden, maar ook geuren, smaken en aanrakingen. Dat heeft ook invloed op het gedrag van een kind. Anderen kunnen dat gedrag misschien als vreemd ervaren, of onaangepast, maar in werkelijkheid krijgt het kind informatie over de wereld anders binnen. Ook inwendige prikkels, zoals verwachtingen van anderen, perfectionisme, eigen gedachten en associaties, emoties en inwendige lichaamsprocessen zoals pijn of koorts kunnen sterk overprikkelend werken en voor een gevoel van kortsluiting zorgen. Het gaat vaak om prikkels die mensen zonder autisme niet opmerken of als storend ervaren, terwijl ze voor mensen met autisme juist extreem belastend kunnen zijn.

Dit maakt veel dingen lastig. Een dagje pretpark, een feestje, spelen met een vriendje, etc. is bijvoorbeeld veel minder leuk.


Ook onderprikkeling komt regelmatig voor in combinatie met autisme.

Onderprikkeling wil zeggen dat er te weinig prikkels zijn of dat deze prikkels niet goed doordringen. Wanneer er te weinig prikkels binnenkomen kunnen de hersenen zich “leeg” voelen en stoppen met gegevensverwerking. Het resultaat is dan bijvoorbeeld: geen actie, niets zien, niets horen, geen pijn voelen, geen honger- of dorstimpuls, niet voelen dat je ziek bent, niet op tijd naar de toilet gaan, omdat je geen aandrang voelt of je eigen emoties niet herkennen. Als prikkels niet goed doordringen kan dat leiden tot, geluiden maken, met het hoofd ergens tegenaan bonken, heen en weer wippen of ergens aan friemelen om actief te blijven. Als er niet genoeg informatie binnenkomt, probeert iemand met autisme namelijk zelf die informatiestroom weer op gang te brengen. Onderprikkeling kan tot ondervraging leiden, omdat kinderen die onderprikkeld zijn vaak minder laten zien dan dat ze kunnen. Bij onderprikkeling is het zaak dat de omgeving passende prikkels, zoals beweging, sport of muziek (gedoseerd) toedient. Dat helpt om alert te blijven.

Het laten maken van een sensorisch profiel door een ergotherapeut een uitkomst zijn.

Niet alleen omdat je daarmee exact in kaart kunt brengen voor welk soort prikkels iemand onder- of overgevoelig is, maar ook omdat je daarmee adviezen krijgt over hoe nu verder te handelen. Opvallend in de zintuiglijke waarneming bij kinderen met autisme is verder dat ze vaak gebruik maken van nabijheidzintuigen (zoals het likken, ruiken en aanraken van dingen).


Fase 2: Prikkels en informatie filteren

Prikkels die worden waargenomen moeten vervolgens worden gefilterd, omdat onze hersenen maar een klein deel van die enorme hoeveelheid aan prikkels kunnen verwerken. Daarom sorteren ze de informatie op mate van belangrijkheid.

Dit proces heet sensorische integratieverwerking en gebeurt volledig automatisch. Mensen zonder autisme hebben hiervoor een een figuurlijke receptioniste in hun hoofd zitten die alle informatie van de zintuigen ontvangt, sorteert en er daarna voor zorgt dat het goed verwerkt wordt. Zij zien bijvoorbeeld alleen de zeven belangrijkste dingen in een kamer.

Bij mensen met autisme is er vaak geen figuurlijke receptioniste of werkt ze maar parttime. Hoofd- en bijzaken zijn daardoor exact gelijk. Niet de zeven belangrijkste dingen, maar alle dingen in een ruimte komen tegelijkertijd binnen en worden apart geregistreerd. Doordat de aandacht uitgaat naar ieder detail, geluid en woord kunnen onverwerkte prikkels zich gaan opstapelen.

Er ontstaat dan als het ware een file in de hersenen. Hierdoor wordt het vaak onoverzichtelijk en chaotisch en kan het gaan voelen alsof iemand met autisme de controle kwijt is.

Dit kan resulteren in overprikkeling, in de vorm van hoofdpijn, oververmoeidheid, concentratieproblemen, passief gedrag, isolatie, het vermijden van situaties of driftbuien.

In de zintuiglijke prikkelverwerking van iemand met autisme is overigens een overlap te zien met ADHD. Mensen met autisme en mensen met ADHD registeren beiden namelijk, anders dan wij, alles apart. Iemand met autisme slaat al die details echter ook op, terwijl degene met ADHD die informatie registreert en meteen weer kwijt is om vervolgens snel door te kunnen naar andere informatie.


Fase 3: Prikkels en informatie een betekenis geven

Al die slecht gefilterde informatie moet vervolgens natuurlijk ook nog apart verwerkt gaan worden, terwijl ondertussen de nieuwe informatie ook maar blijft binnen komen.

Alle mensen, met of zonder autisme, hebben een denkbeeldige emmer. In die emmer vallen de druppels “onverwerkte informatie”. Informatie die we niet meteen een plekje kunnen geven. Onze emmers worden gevuld zonder dat het direct zichtbaar is voor de buitenwereld. Als de emmer vol raakt, komt echter die laatste druppel. De druppel die de emmer doet overlopen. Op dat moment worden mensen boos, vluchten weg of trekken zich helemaal terug. Hun hoofd kan alle informatie niet meer verwerken, raakt overprikkeld en slaat op tilt. Hoe snel de emmer zich vult is per persoon verschillend.

Iemand met autisme neemt niet alleen heel veel prikkels en informatie tegelijk waar, maar heeft daardoor ook vaak meer tijd en rust nodig om informatie te verwerken.

Nieuwe informatie dringt hierdoor ook vaak pas later door dan het wordt waargenomen. Allemaal druppels die de emmer in een rap tempo vullen.


Bij een overvloed aan informatie lukt het iemand met autisme vaak ook niet goed om al deze losse puzzelstukjes goed te ordenen en er een samenhangend geheel van te maken. Door het gebrek aan samenhang moet er elke keer flink gepuzzeld worden zonder voorbeeld om de verbanden tussen de stukjes informatie te leggen en er een betekenisvol geheel van te maken. Wanneer een puzzelstukje ontbreekt kan iemand met autisme de juiste koppeling of verbinding niet maken en krijgen dingen vaak een andere betekenis. Mensen met autisme kunnen hierdoor de wereld compleet anders ervaren dan mensen zonder autisme. Het is hierdoor bijvoorbeeld lastiger de bedoelingen en het gedrag van anderen te voorspellen en te begrijpen (dit wordt ook wel Theory of mind) genoemd, situaties en gebeurtenissen te begrijpen in relatie tot de context, samenhang te zien, van detail naar geheel te gaan of van geheel naar detail (centrale coherentie) en zelfinzicht te hebben.

Zwart-wit gesteld start de informatieverwerking van mensen met autisme bij de details (bottom up). Mensen zonder autisme maken van de veelheid aan binnenkomende prikkels automatisch en onbewust een samenhangend geheel, wat zorgt voor overzicht en ordening van de wereld om ons heen. Hun informatieverwerking start bij de grote lijnen (top down).

Fase 4: Prikkels en informatie toepassen (handelen)

Door de andere manier van prikkels en informatie waarnemen, filteren en betekenis geven kunnen kinderen bij het toepassen van informatie in hun handelen last hebben met bijvoorbeeld:

- Plannen, organiseren en tijdmanagement.

- Het beginnen en stoppen met taken en acties.

- Concentratie.

- Emoties reguleren.

- Hoofd- en bijzaken onderscheiden.

- Een idee uitwerken of actie plannen.

- Reacties en gedrag aanpassen aan de situatie.

- Het soepel omgaan met veranderingen.





In deze blogs lees je meer achtergrondinformatie over autisme:

De geschiedenis van autisme

Wat is autisme?

Oorzaken van autisme

0 keer bekeken

© 2019 by juf Angelique. This website has been designed using resources from Freepik.com