Zoeken
  • Juf Angelique

Wat is ASS?

Bijgewerkt op: 15 jun.

ASS staat voor Autisme Spectrum Stoornis (ASS); een levenslange ontwikkelingsstoornis, waarmee iemand wordt geboren. Het is belangrijk dat jij als leerkracht de kenmerken van autisme herkent.

In deze blog vertel ik je er graag meer over.



De term ASS


ASS is een levenslange pervasieve ontwikkelingsstoornis, waarmee iemand wordt geboren en die zich doorgaans openbaart in de eerste drie levensjaren van een kind.

Met ‘pervasief’ wordt ‘diep doordringend’ bedoeld.

ASS zie je niet aan de buitenkant, maar het heeft een grote invloed op alle levensgebieden. Inmiddels is ASS geen strikt afgebakende stoornis meer. De term ASS staat dan ook voor Autismespectrumstoornis; een verzamelnaam die een groot scala aan vormen en gradaties van autisme omvat. ASS kent namelijk veel gezichten. Ieder kind met autisme laat dat op een andere unieke manier zien en neemt zijn eigen plaats in binnen dit grote spectrum.


De meeste mensen blijven in hun pogingen om ASS te begrijpen, ASS helaas ophangen aan bepaald gedrag en mythes, zoals dat mensen met ASS geen gevoel voor humor zouden hebben, minder behoefte hebben aan sociaal contact, minder emoties hebben, allemaal goed zijn in wiskunde, introvert zijn, slim zijn, geen fantasie hebben, van orde en netheid houden, verstrooid zijn en/of alles precies op tijd willen hebben.

Dit is echter onmogelijk, want HET kind met ASS bestaat niet, de kenmerken gelden nooit allemaal en ook niet in dezelfde mate. Elk kind heeft een andere mix van sterke en zwakke kanten. Bovendien zijn veel kenmerken niet constant en verschillen deze bij ieder individu ook weer per levensfase. Het gaat bij ASS ook niet om vreemd gedrag, maar om normaal menselijk gedrag in extreme mate.

 

Een regenboog aan kleuren


Kinderen ontwikkelen hun vaardigheden meestal volgens een redelijk vast patroon.

De ontwikkeling van kinderen met ASS wijkt daar echter van af.

Zij ontwikkelen zich vaak in een andere grillige volgorde en in een ander tempo.

ASS is volgens de Nederlandse bio psycholoog Martine Delfos ook eerder een vertraging in de ontwikkeling dan een beperking. Sommige functies en vaardigheden ontwikkelen zich trager, andere juist weer veel sneller dan bij leeftijdsgenoten.

Daardoor kan iemand met autisme soms veel jonger lijken dan leeftijdsgenoten, en soms juist weer veel ouder. Dit wordt ook wel een 'regenboog aan leeftijden binnen één persoon' genoemd. Dit betekent dat een kind vele ontwikkelingsleeftijden tegelijk in zich verenigt.

Ieder mens met ASS heeft een regenboog aan leeftijden in zichzelf.

Een kind met ASS van 8 jaar kan bijvoorbeeld spelen als een kind van 3 jaar, motorisch gedrag laten zien dat correspondeert met de kalenderleeftijd en rekenen als een kind van 12 jaar. Kinderen met ASS plaatsen hierdoor anderen vaak voor raadsels.

Om de mogelijkheden van het kind met ASS te ontwikkelen en hem niet te onder- of overvragen, is het van essentieel belang om aan te sluiten op waar het kind in zijn eigen ontwikkeling is en het verschil tussen onkunde en onwil te zien door vast te stellen welke mentale leeftijd bij het gedrag van het kind hoort en daarop aan te sluiten.



 

ASS en IQ

ASS wordt gezien op alle intelligentieniveaus. Vroeger dacht men dat alleen mensen met een verstandelijke handicap autistisch konden zijn.

Daarna werd voor een lange tijd aangenomen dat 70 tot 80% van de personen met een ASS ook verstandelijk beperkt was. Tegenwoordig wordt ASS als grotendeels onafhankelijk van de intelligentie beschouwd.

Recentere studies laten zien dat de verhouding personen met een verstandelijke beperking eerder opschuift naar 30 tot 50%. De grootste groep heeft dus een normale tot hoge intelligentie.


De diagnose ASS in combinatie met een normale of hoge intelligentie zorgt echter wel vaak voor verwarring in het signaleren van ASS, omdat deze mensen hun ASS vaak lang kunnen camoufleren en compenseren. Hoe intelligenter iemand is, hoe subtieler ASS vaak aanwezig is. Wanneer mensen ondanks hun autisme redelijk lijken te functioneren spreek je van hoog functionerend autisme (HFA). HFA is niet apart vermeld in het handboek voor de psychiatrie; de DSM, omdat intelligentie niet tot de criteria van een autistische stoornis horen.

HFA is ook een ietwat verwarrende term, aangezien de meeste mensen met HFA wel degelijk problemen vertonen in hun functioneren.

Gaandeweg hun leven lopen ze meestal wel tegen hun ASS aan, bijvoorbeeld in de vorm van een burn-out. “Hoog” slaat dan ook op een vergelijking met de andere personen met ASS (“laag functionerend autisme”, of autisme met verstandelijke beperking).


 

Algemene kenmerken van ASS


Hoewel mensen met ASS onderling enorme verschillen laten zien, lijken zij in de kern wel op elkaar en laten zij binnen het totale spectrum autisme een aantal gemeenschappelijke kenmerken zien.

Voor de invoering van de DSM-V in 2013 (het meest gebruikte handboek voor psychiaters dat grotendeels tot stand is gekomen op basis van verworven wetenschappelijke inzichten, waarin alle psychiatrische diagnoses en de criteria die daarvoor gelden beschreven staan) sprak men van beperkingen op drie domeinen, de zogenaamde triade.


Deze drie domeinen waren:

  1. Sociale interactie.

  2. (Non-)verbale communicatie.

  3. Een beperkt, repetitief of stereotiep gedragspatroon.


Sinds de invoering van de DSM-V in 2013 spreekt men echter van beperkingen op twee domeinen, namelijk:

  1. Sociale communicatie en interactie

  2. Repetitief gedrag en specifieke interesses


Ook is er vaak sprake van over- of onder gevoeligheid voor zintuiglijke prikkels, al is dit geen formeel kenmerk van ASS. Deze kenmerken worden meestal zichtbaar voor het derde levensjaar. Gedurende de levensloop veranderen de problemen en komt een aantal van de kenmerken meestal minder op de voorgrond te staan. De problemen met de sociale interactie blijven meestal het opvallendst, ook bij volwassenen.

ASS kan daarnaast ook sterke kanten met zich meebrengen. Zo zijn mensen met ASS vaak analytisch, eerlijk en hebben ze een goed oog voor detail. De kenmerken van ASS zijn ook geen op zich alleenstaande kenmerken, maar hangen met elkaar samen.

Mensen met ASS hebben vaak het gevoel dat ze de diagnose ASS moeten rechtvaardigen aan de hand van de kenmerken. Een bekend verschijnsel is dat buitenstaanders vragen gaan stellen en ieder kenmerk dat wordt genoemd gaan bagatelliseren.

Aan ieder kenmerk kan ook een andere uitleg worden gegeven waardoor het geen ASS lijkt. Een kenmerk op zich hoeft inderdaad ook niet te betekenen dat er sprake is van ASS, maar andersom kan ook ieder kenmerk als autisme worden beschouwd.

Het is daarom erg belangrijk dat het geheel wordt bekeken.

Het totaalplaatje en samenhang van de verschillende kenmerken moeten in kaart worden gebracht om een diagnose te kunnen stellen. Ieder mens heeft ook wel bepaalde kenmerken van ASS in zich, maar dat betekent zeker niet dat we allemaal autistisch zijn.

 

Hoe vaak komt het voor?


Het is lastig aan te geven hoe vaak ASS precies voorkomt. De cijfers variëren nogal per studie. Deze verschillen in resultaten hebben onder meer te maken met het opzet van de studie, de grootte van de steekproef en de strengheid waarmee de diagnostische criteria worden gehanteerd. Recente cijfers die uitgaan van de diagnose ASS geven aan dat autisme bij ongeveer 1 op de 100 mensen voorkomt. In de tijd dat men enkel het klassiek autisme als echt beschouwde, werd aangenomen dat het bij circa 1 op de 2200 mensen voorkwam.

Er is op dit moment echter geen enkel bewijs dat ASS vaker voorkomt dan vroeger, al kan dit anderzijds ook niet helemaal uitgesloten worden. De hogere cijfers, in vergelijking met vroeger, zijn waarschijnlijk vooral te verklaren door een uitbreiding van de definitie autisme en verbetering van de diagnostiek. Vooral bij personen met een normale of grensnormale begaafdheid wordt ASS nu bijvoorbeeld beter onderkend.

 

ASS bij meisjes


Wat in de loop der tijd wel steeds relatief ongewijzigd is gebleven, is de verhouding jongens/meisjes met ASS, die wordt geschat op 4:1 (met uitzondering van het RETT-syndroom dat alleen voorkomt bij vrouwen). Vooral in de groep van normaal tot hogere begaafden met ASS lijken jongens met een geschatte verhouding van 9:1 oververtegenwoordigd te zijn. Bij de groep met een ernstige verstandelijke beperking is die verhouding naar schatting nog maar 2 jongens op 1 meisje.

Het is nog niet helemaal duidelijk waarom dit zo is. ‘

De onderzoekers verklaren dit verschil door de hersenstructuur, die bij jongens en meisjes sterkt verschilt. Volgens onderzoekers bezitten meisjes met ASS de vrouwelijke aspecten van het brein (die voornamelijk gericht zijn op hun sociale omgeving), maar ook een deel van het mannelijk brein (die voornamelijk gericht zijn op logische problemen).

Het vermoeden dat het vrouwelijk chromosoom een beschermende rol speelt bij ASS of het mannelijke hormoon testosteron juist een schadelijke rol speelt zijn nog niet afdoend bewezen. Doordat vrouwelijke hersenen meer gericht zijn op hun sociale omgeving, hebben ze in het geval van ASS vaak ook een groter compenserend vermogen op dat vlak.

Doordat hun conceptvermogen slecht geautomatiseerd is, moeten ze echter wel alles op bewuste denkkracht doen. Dit is erg uitputtend en hierdoor ervaren ze vaak heel veel chaos in hun hoofd.


De voornaamste verschillen tussen meisjes en jongens met ASS zijn:

Een andere verklaring voor de verschillen tussen jongens en meisjes met ASS is dat onze cultuur van meisjes andere dingen verwacht dan van jongens.

Door de druk die dit onbewust geeft en omdat meisjes gevoeliger zijn voor sociale acceptatie gaan meisjes met ASS vaak extra moeite doen om hun gebrekkige vaardigheden te compenseren of te maskeren. Ze laten sneller aangepast gedrag zien en doen dit door anderen te observeren en vervolgens te imiteren. Vaak worden ze omschreven als naïef of lief, terwijl hun gedrag eigenlijk ook gebrekkige sociale vaardigheden laat zien.

Vooral de intelligente autistische meisjes zullen hierin slagen. Meisjes voelen zich ook al snel een klager en hebben soms ook moeite om hun klachten goed uit te leggen doordat ze te veel in details treden of lange onsamenhangende verhalen vertellen, omdat ze moeite hebben met hoofd en bijzaak te scheiden. Zijn laten in combinatie met ASS vaak meer internaliserende problemen zien, terwijl jongens meer externaliserend gedrag laten zien.

Bij meisjes dienen we, anders dan bij jongens, dus meer naar hun klachten te kijken in plaats van naar de problemen die hun omgeving ervaart.

ASS wordt daarnaast vaak nog grotendeels gerelateerd aan typisch mannelijke kenmerken. Ass bij vrouwen past minder bij het beeld wat mensen van autisme hebben en wordt daardoor ook vaak minder snel herkend. Vaak wordt er bij ASS nog steeds als eerste gedacht aan een jongen die communicatief niet goed is, op zichzelf is en een buitensporige interesse heeft voor bijvoorbeeld zijn treinverzameling. Ass wordt bij meisjes vaak pas onderkend, wanneer het echt niet meer gaat. Door alle energie die meisjes kwijtraken aan camoufleren en/of compenseren ontwikkelen ze vaak andere klachten zoals extreme vermoeidheid, extreme teruggetrokkenheid om bij te tanken, angst- en paniekklachten, depressies, burn-out, stressreacties en lichamelijke klachten. Pas als deze klachten zich aandienen komen ze bijvoorbeeld bij een huisarts of psycholoog terecht en worden deze klachten vaak aangepakt, maar de werkelijke reden van deze klachten wordt vaak pas later achterhaald. Sommige meisjes hebben ook al diverse andere diagnoses en behandelingen gehad, die steeds niet helpen voordat ze de juiste diagnose krijgen.

De problemen van meisjes met ASS ontwikkelen zich vaak razendsnel vanaf de brugklas, doordat ze bijvoorbeeld vastlopen op het gebied van schooltaken organiseren, het tempo bijhouden, planning en overzicht. Daarnaast lopen meisjes met ASS in de brugklas vaak vast in sociale structuren. Ze willen meestal wel contact met leeftijdsgenoten, maar dit lukt ze niet (goed). Sociaal contact kost hen veel energie. Vaak hebben ze geen vriendinnen of worden ze ook gepest. Sommige meisjes besteden overmatig veel tijd aan hun huiswerk en vertonen een extreem perfectionisme ten aanzien van hun schooltaken.

Er zijn echter ook meisjes die huiswerk weigeren. Vaak hebben ze moeite met open vragen, reflectieopdrachten, hulp vragen, het starten en stoppen met opdrachten, de weg vinden in de school en vragen beantwoorden in de klas. Ze beschikken vaak ook over beperkte oplossingsvaardigheden. Pauzes en tussenuren zijn vaak moeilijk voor ze. Het komt ook vaak voordat er op school niets te merken is en de uitbarstingen pas thuis komen.

 

Op zoek naar meer?


Kijk voor meer suggesties ook eens op mijn Pinterest

Heb je zelf ook nog leuke suggesties?

Inspireer dan collega’s door jouw ideeën als reactie op deze blog te delen!


.


7 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven