Zoeken

Auditief waarnemen

Het gehoor is een belangrijk zintuig. Het is essentieel voor de taal- en spraakontwikkeling van een kleuter. Kinderen met gehoorverlies hebben vaak moeilijkheden met leren praten, lezen en schrijven. In deze blog vertel ik je er meer over.



Het gehoor en auditief waarnemen


De keel, neus en oren hebben een grote invloed op elkaar.

Wanneer de neus van een kind bijvoorbeeld een beetje verstopt zit, gaat het kind door de mond ademhalen, worden de keelamandelen vergroot en daardoor gaat de buis van Eustachius weer dichtzitten. Deze buis vormt de open verbinding tussen de keelholte en het middenoor. Als deze buis afgesloten wordt, wordt de lucht in het middenoor niet meer ververst en ontstaat er kans op middenoorontstekingen.

Dit kan pijn doen en weer een verminderd gehoor geven.


Het gehoor van de kleuter heeft een grote invloed op de ontwikkeling van de taal en de spraak. Problemen, die je hierbij kunt signaleren zijn:

  1. Slechthorendheid: Veel kinderen maken periodes door waarin ze minder goed horen, bijvoorbeeld wanneer ze verkouden zijn. Als deze periodes van langer duren, kan het zijn dat een kind zich minder goed ontwikkelt op het gebied van luisteren, spraak en taal. Kinderen met gehoorverlies hebben vaak moeilijkheden met leren praten, lezen en schrijven. Gehoorverlies kan er ook toe leiden dat een kind evenwicht problemen krijgt .

  2. Moeite met het onthouden of verwerken van auditieve informatie.

  3. Moeite met aandachtig luisteren: We leven in een wereld, waarin het zelden echt stil is. Geluidsprikkels zijn er overal en in tegenstelling tot onze ogen kunnen we onze oren niet sluiten. We wennen hierdoor gemakkelijk aan steeds hogere geluidsniveaus. Soms zijn deze zo hoog dat ze ons gehoor beschadigen. Omdat we zo gewend zijn aan lawaai kan het ook heel lastig zijn om gericht en geconcentreerd te luisteren. Activiteiten rondom geluid kan het bewust luisteren en het differentiëren van de aandacht bevorderen.

Indien je deze problemen signaleert is het zinvol een kind door te verwijzen voor een gehoortest of logopedie. Je kunt op een eenvoudige manier ook zelf eerst testen of een kind goed hoort: Laat het kind daarvoor de ogen sluiten, ga achter hem staan en wrijf met je duim over je vingers op een afstand van ongeveer twintig centimeter van één van de oren van het kind. Vraag het kind of hij iets hoort en zo ja bij welk oor.

Activiteiten: auditief geheugen


Lessen met als doel het oefenen van het auditief geheugen, zijn bedoeld om kinderen te helpen informatie die ze horen goed op te slaan. Enkele voorbeelden van activiteiten om het auditieve geheugen te bevorderen zijn:

BOEM!

Je hebt nodig:

- 3 tot 5 afbeeldingen

Speel in de kring het spelletje “BOEM”.

Leg 3-5 verschillende figuren of afbeeldingen ervan in de kring en stuur 1 kind even naar de gang. In de kring wordt afgesproken bij wel voorwerp er “BOEM” mag worden geroepen.

De kleuter in de gang komt terug en wijst de voorwerpen aan en gaat zo op zoek naar het voorwerp dat “BOEM” zal opleveren.


Reeksen herhalen:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten.

Oefen het auditief geheugen van de kinderen door bijvoorbeeld twee, drie, vier of vijf woordkaarten van dit thema hardop te benoemen, laat de kinderen deze reeks woorden vervolgens herhalen en daarbij de genoemde kaarten in de juiste volgorde neerleggen.


Welk woord is er niet genoemd?

Je hebt nodig:

- Woordkaarten.

Leg een reeks van een aantal woordkaarten van dit thema neer en noem er eentje niet op. Welk woord heb je niet gehoord? Wijs het aan!


Spel: Welk woord heb jij?

Je hebt nodig:

- Geef elk kind een woordkaart

De kinderen bestuderen hun kaart en leggen deze daarna omgekeerd onder hun stoel. Noem nu steeds een kaart op.

Het kind met de genoemde kaart gaat bij het horen van zijn kaart staan.

Het wordt lastiger als je de kinderen een aantal keer van kaart of van plaats laat wisselen.


Goed onthouden!

Je hebt nodig:

- Een nootje

- Kaartjes met bosdieren.

Vijf kinderen zitten in de kring. Zij zijn een bosdier. Op een kaartje wat alleen zij hebben mogen zien hebben ze kunnen zien welk dier. Het eerste kind is de eekhoorn. Hij deelt zijn nootje of dennenappel met het kind naast zich. Dit kind zegt: dankjewel eekhoorn, ik ben de egel. Daarna wordt het nootje weer verder gegeven. Dit kind zegt: dankjewel eekhoorn en egel, ik ben de vos. Zo gaat het verder. Komen de kinderen het kringetje rond?


Stapelspel:

Je hebt nodig:

-

Een variatie op het spel: Ik ga op reis en ik neem mee...

Ik ga naar ...? Hoeveel woorden kunnen de kinderen onthouden?


Zinnen nazeggen:

Je hebt nodig:

- 2 handpoppen.

De ene handpop is nog bovenin de boom en de andere beneden.

De handpop in de boom roept zinnen van 4 a 10 woorden en de andere zegt ze na.

→ Zinnen van 4- 7 woorden (groep 1):

→ Zinnen van 7 – 10 woorden (groep 2):


Het ontbrekende woord:

Je hebt nodig:

-

Zeg twee maal dezelfde reeks woorden op, maar laat de tweede keer een woord weg.

Horen de kinderen welk woord je hebt weggelaten? Bijvoorbeeld:

Vrucht - hap - moes - klokhuis

vrucht - hap - ... – klokhuis


Hetzelfde woord:

Je hebt nodig:

-

Zeg steeds een rijtje van vier-zes woorden achter elkaar.

Welk woord heb je twee keer gehoord?

Bijvoorbeeld:

  • Kip - ei - haan - ei

  • Boer - ei - ei - hok

  • Veer - kip - haan - kuiken - veer


Pipa-Papegaai:

Je hebt nodig:

- Een handpop van een papegaai.

Pipa papegaai zegt rijtjes woorden (3-5) of zinnen (4-7 woorden) op die de kinderen moeten nazeggen. Gebruik de woorden van de woordenlijst en/of woordkaarten bij het thema.

Activiteiten: auditieve discriminatie


Lessen met als doel het oefenen van de auditieve discriminatie, zijn bedoeld om kinderen te helpen kleine verschillen tussen klanken te horen. Enkele voorbeelden van activiteiten om de auditieve discriminatie te bevorderen zijn:


Spel: Wie heeft het woord?

Je hebt nodig:

- Woordkaarten.

Ieder kind heeft een woordkaart, behorende bij dit thema, in de hand. De leerkracht verzint een verhaal met de woorden op deze woordkaartjes. Zodra hij/zij een woord noemt wat bij iemand op het kaartje staat, moet diegene het kaartje in de lucht steken.


Reactiewoorden:

Je hebt nodig:

-

Zeg steeds een rijtje woorden op. Steeds als de kinderen een bepaald horen klappen zij in hun handen. Bijvoorbeeld:

  • kip - ei - kuiken - kip - kip - haan - kuiken - kat - koe - kip - hok - kip.


Reactieletters herkennen:

Je hebt nodig:

-

Neem de letter van de week.

Noem steeds een reeks letters. Steeds als de kinderen de letter horen, dan klappen ze in hun handen.

  • P - D - B - P - O - A - P - S - P - P - R - U - P.


Hetzelfde woord in twee zinnen:

Je hebt nodig:

-

Zeg steeds twee zinnen met hetzelfde woord erin.

Horen zij hetzelfde woord in twee zinnen?

Bijv. Papa is blij - Papa rijdt in zijn auto


Commandospel:

Je hebt nodig:

-

Een variant op het commando-spel! Zeg: De haas zegt… springen!

Alle kinderen springen. Maar pas op: als je geen ‘haas zegt’ dan moeten ze juist niet doen wat je zegt! Zeg bijvoorbeeld: de kip zegt… zwaaien! Alle kinderen die dan toch zwaaien zijn ‘af’. Zij moeten even zitten (een beurt overslaan) en mogen later weer meedoen.

Lekker veel bewegen! Springen, zwaaien, wiebelen, draaien, dansen, boksen, strooien, etc.

Activiteiten: rijmen


Lessen met als doel het rijmen te oefenen, zijn bedoeld om te ontdekken dat woorden een zelfde eindklank kunnen hebben en de ontwikkeling in het fonologisch bewustzijn op gang te brengen. Enkele voorbeelden van activiteiten om het leren rijmen te bevorderen zijn:


Zelf rijmwoorden bedenken:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten.

Laat de kinderen rijmwoorden verzinnen bij de woordkaarten van dit thema.

Gebruik bij voorkeur de eenlettergrepige woorden.

Bijvoorbeeld:

  • Beer: Veer, keer, meer, heer, leer

  • Koe: Moe, toe, roe

  • Kat: Lat, pad, mat, stad


Zinnen afmaken:

Je hebt nodig:

-

De kinderen maken rijmzinnen af. De zin wordt langzaam voorgelezen.

Het laatste woord moeten de kinderen aanvullen.

Laat de kinderen ook eens zelf rijmzinnen maken.


Rijmkroon:

Je hebt nodig:

- Een kroon.

Geef een kroon de kring rond. Vraag de kinderen op woorden te rijmen.

Wie een rijmwoord weet, krijgt de muts op en noemt zijn rijmwoord.


Rijmganzenbord:

Je hebt nodig:

- Afbeeldingen van woorden waar makkelijk op te rijmen is.

- Vouwrondjes

- Een plastic of pluchen personage

Het personage legt een route langs de vouwrondjes taf. Steeds wanneer hij een rijmwoord bij de afbeelding die hij tegenkomt kan verzinnen mag hij een fiche of vouwrondje verder. Bijv. Steen: Teen, been, ween, heen, geen. Vervolgens komt hij bij het volgende plaatje waarop hij moet rijmen. Lukt het hem om naar de overkant te komen? Schrijf de rijmwoorden evt. op de vouwcirkels en de afbeeldingen. Kinderen zien dan dat bij rijmen de achterkant van een woordje steeds hetzelfde blijft, maar dat het begin verandert. Het personage loopt de route ook weer terug, maar nu moeten de kinderen raden waar hij staat. Bv. De kip liep heel sloom naar de grote... (boom)


Ren je rot rijmspel:

Je hebt nodig:

- Hang of leg afbeeldingen van rijmwoorden verspreid door je lokaal, de speelzaal of op het speelplein.

Noem een woord en laat de kinderen naar het juiste rijmwoord rennen.

Mocht je het spel met een groep kinderen spelen, laat hen elkaar dan opdrachten geven: ‘Wat rijmt er op ...?’ De andere kinderen rennen naar de afbeelding van het rijmwoord.

Het kind dat de opdracht heeft gegeven, controleert of het rijmwoord goed is.

Daarna wordt er van beurt gewisseld.


Een versje bekijken:

Je hebt nodig:

- Een versje op een groot vel papier.

De kinderen vinden een versje. Dit versje wordt gezamenlijk nog eens gelezen.

Vervolgens vraagt de leerkracht of de kinderen woordjes horen die rijmen.

De rijmwoorden worden onderstreept. Wat zien de kinderen bij deze woorden ? Rijmwoorden hebben dezelfde letters op het eind. Vraag de kinderen nog meer rijmwoorden bij deze woorden te bedenken. Deze woorden worden onder elkaar genoteerd. Telkens wordt gekeken of er dezelfde letters zijn en waar die staan.


Twister:

Je hebt nodig:

- Een twister spel

- Woordkaarten, passende bij het thema.

Twister bestaat uit een speelkleed en een draaischijf. De draaischijf heeft een verdeling met kleuren en lichaamsdelen: rechterhand, linkerhand, rechtervoet, linkervoet. Je draait de schijf en ziet nu op welke kleur je welk lichaamsdeel moet plaatsen. Je mag nu niet meer loslaten, maar moet later wel weer een ander lichaamsdeel verplaatsen. Je kunt dit spel op verschillende manieren spelen: opdrachten voor de hele groep of voor een enkel kind.

Dit spel is een variatie op het Twister spel. Bevestig woordkaartjes op de gekleurde stippen.

Geef nu deze opdracht: zet je (draai de draaischijf) op een woord dat rijmt op….

Activiteiten: lange en korte woorden/zinnen


Lessen met als doel lange en korte woorden en zinnen te oefenen, zijn bedoeld om het taalbewustzijn te vergroten. Enkele voorbeelden van activiteiten om het verschil tussen lange en korte woorden en zinnen te bevorderen zijn:


Het langste woord:

Nodig: -

Noem steeds twee woorden op. Horen de kinderen welk woord het langste is?

Gebruik de woorden van de woordenlijst en/of woordkaarten bij het thema.


Zinnen maken:

Nodig: -

Geef de kinderen een woord en laat ze er een zin mee bedenken.

Gebruik de woorden van de woordenlijst en/of woordkaarten bij het thema.


Een zin langer maken:

Nodig: -

De leerkracht start met een aantal woorden van een zin. De kinderen maken de zin langer.

Bijv. Ik ga …, Hij is ….


Lange en korte woorden/zinnen:

Je hebt nodig:

- Zet twee mooi versierde dozen in de kring, een grote doos en een kleine doos.

- Verzamel enkele voorwerpen behorende bij het thema.

Laat één van de voorwerpen aan de kinderen zien en vraag hen het woord in klankgroepen te klappen. Vraag de kinderen of het woord lang of kort is. De korte woorden (voorwerpen) worden in de kleine doos gelegd en de lange woorden (voorwerpen) in de grote doos.

Leg eventueel kleine blokjes bij de dozen die het aantal klankgroepen aangeven, bijvoorbeeld één blokje bij de kleine doos en twee of meer blokjes bij de grote doos.

Kunnen de kinderen de voorwerpen of afbeeldingen ook op de juiste volgorde leggen, van de kortste naar de langste?


Zinnen verdelen in woorden:

Je hebt nodig:

- Groot vel papier, stift.

... leest voor uit zijn boek. Hij doet zijn best om alles goed te lezen en uit te spreken, anders gaat het mis. Als je per ongeluk een woord teveel of te weinig zegt gebeuren er rare dingen. Dan gaat het misschien mis met ...

... legt voor elk woord een blokje neer.

Zeg zinnen en laat de kinderen evenveel blokjes neerleggen of stappen zetten (leg bijv. hoepels neer en laat ze van hoepel naar hoepel gaan).

Schrijf de zin daarna op en laat de kinderen de zin verdelen in woorden.

Bijv. ...

Activiteiten: analyse/synthese


Lessen met als doel de auditieve analyse en synthese te oefenen, zijn bedoeld om te ontdekken dat woorden uit losse klanken bestaan. Enkele voorbeelden van activiteiten om de auditieve analyse en synthese te bevorderen zijn:


Maak de zin af:

Je hebt nodig:

-

Zeg een zin met één woord in stukjes. De kinderen raden wat er gezegd wordt.

Bijv. Het is volle m-aa-n.

Een vervolg activiteit hierop kan zijn; alleen het losse woord herkennen.


Klanken springen:

Je hebt nodig:

- Drie hoepels

Zeg steeds een woord dat bestaat uit drie klanken en laat een kind in de hoepels springen, terwijl hij de klanken benoemt. Wissel af en toe ook van rol, laat het kind woorden met drie klanken bedenken en spring dan zelf.

Gaat het goed, gebruik dan langere woorden.


Hak, ren en plak:

Je hebt nodig:

- Woordkaarten, passende bij dit thema (bestaande uit 1 lettergreep)

Verdeel de kinderen in duo’s. Kind 1 start bij het startpunt, ander kind staat bij tussenpunt.

Op de route naar het tussenpunt kun je ook nog wat beweegmoeilijkheden toevoegen om het extra spannend te maken (een bank, hoepel, blokjes enz...).

Kind 1 pakt bij het startpunt een kaartje met een woordkaart, bekijkt hem en rent naar kind 2 bij het tussenpunt. Kind 1 laat de kaart niet zien maar mag zelf wel nog een keer kijken.

Hij hakt vervolgens het woord in klanken. Kind twee plakt de woorden vervolgens tot een woord en zegt het woord. Is het goed? Kind 1 laat dan de afbeelding zien.

Kind twee rent met de afbeelding naar het startpunt en hakt het woord voor de leerkracht. Na goedkeuring rent leerling twee naar het beginpunt en start het proces weer opnieuw.


Voeren:

Je hebt nodig:

- Dieren

- Teldopjes

Zet een aantal dieren in de kring.

Neem een teldopje en vertel de kinderen welk dier je gaat voeren. Zeg dit woord in losse klanken of klankgroepen. De kinderen geven het teldopje aan het juiste dier.

In welk hok?

Je hebt nodig:

- Plastic dieren of woordkaarten

- Blokken

- Cijferkaarten.

Bouw drie hokken in de kring. Een klein hok, een middelgroot hok en een groot hok.

Leg hier cijferkaartjes van 1, 2 en 3 bij. Laat een dier zien en vraag de kinderen de naam van dit dier in klankgroepen te klappen. Vraag de kinderen uit hoeveel klankgroepen dit woord bestaat en leg het ... in het juiste hok. Zet alle dieren op deze manier in het juiste hok.


Woorden hakken en plakken:

Je hebt nodig: